Het getuigenis van Yeonsoo Kim



In 1999 maakte ik veel mee, zowel persoonlijk als binnen mijn familie. Ik verkeerde in zeer grote nood. Hevig gekweld besloot ik de deur naar de wereld te sluiten. Ik ging naar mijn kamer en bracht verscheidene dagen door met vasten en bidden en het overdenken van de Bijbel. In deze dagen vroeg ik God waarom al deze dingen mij overkomen waren en wat ik moest doen om van deze ellende verlost te worden. Ik wist dat ik de laatste tijd erg slordig was geweest op godsdienstig gebied. Ik beoefende maar weinig het persoonlijke gebed en las nauwelijks in de Bijbel, laat staan dat ik maar iets van mijn dagelijks leven inrichtte volgens de Bijbel. 
In deze tijd las ik Deuteronomium 10:12-13:”Nu dan, Israël! wat eist de HEERE, uw God, van u dan den HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den HEERE, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel; om te houden de geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede.” 
Toen ik deze verzen overdacht, werd mijn mond gesloten en mijn hart leek stil te staan. Ik realiseerde mij dat ik God nooit gevreesd had. Eerlijk gezegd begreep ik niet waarom ik God zou moeten vrezen. Ik had nooit ENIGE liefde tot Hem gehad. Ik had altijd geprobeerd mijzelf goed te praten, als ik deze verzen tegenkwam. Ik zei dan:”Ik probeer altijd Zijn geboden te houden, en Ik heb Hem lief met mijn hart, hoewel het met gebrek is. En ik meen dat ik beter ben dan anderen.” Maar deze keer kon ik geen woord zeggen.

Toen ik zag hoe het echt was in mijn hart, begon ik mij af te vragen of ik wel een echte christen was. Het was ontzettend pijnlijk voor mij om vraagtekens te zetten bij mijn verlossing, want ik beschouwde mijzelf als een toegewijd christen en probeerde dit ook waar te maken: ik gaf mij voor anderen en voor de kerk, ik bestudeerde de Bijbel en leidde een groepje, en ik meende dat ik ook anderen tot Christus bracht. Hoewel ik de laatste jaren al deze dingen erg had verwaarloosd, wist ik mij toch te verontschuldigen. Ik vond mijzelf beter dan de gemiddelde christen die ik ontmoette. Ik had zelfs anderen geleerd hoe ze zekerheid konden krijgen van hun verlossing en ik had mijn eigen eigen redding nooit eerder in twijfel getrokken. 
Toch was dat deze keer anders. Ik kon niet meer oprecht zeggen dat ik een christen was. Ik wist dat er iets fout zat. Alle kennis die ik van de godsdienst had, verdween, en ik kon de twijfel aan mijn verlossing niet wegnemen. Na enkele moeilijke maanden vroeg ik eindelijk iemand om hulp. Mij werd met stellige zekerheid verteld dat het de Satan was, die deze twijfel influisterde in mijn hart, en omdat God mij ongetwijfeld liefhad, was het verspilling van mijn kostbare tijd om mij hierover nog langer druk te maken. Ik nam deze raad aan, omdat ik moe werd van de zorgen waar geen oplossing voor was en het een aannemelijke verklaring leek van een achtenswaardig man. Uiteindelijk meende ik dat de beproeving voorbij was en ik nam mij voor om met nieuwe energie mijn godsdienstige plichten weer na te komen. 
Op een dag in het voorjaar van 2001 realiseerde ik mij dat er geen noemenswaardige veranderingen in mijn leven waren geweest sinds de problemen in 1999. Ik was nog even slordig in mijn godsdienstige plichten als tevoren. Ik had hulp nodig. Toen ik mijzelf begon af te vragen hoe ik een goed christelijk leven kon leiden, moest ik denken aan hoe de Puriteinen leefden. Ik wilde meer van hen weten. Ik wilde  weten over hoe de Puriteinen geleefd hadden en hoe zij hun leven voor God hadden ingericht. Het was in die periode dat ik op een zeer ongebruikelijke wijze Bill Nichols ontmoette. Hoewel we in een kleine stad woonden en jaren tevoren samen een bijbelstudie hadden gevolgd, waren we elkaar een lange tijd nooit tegengekomen. Maar in dat voorjaar gebeurde het binnen een week of zo dat ik hem ontmoette in de bibliotheek en op de markt. Beide keren dat ik hem ontmoette, dacht ik eraan dat hij de juiste man zou zijn om mij op het spoor van de Puriteinen te brengen, maar ik aarzelde om hem ernaar te vragen tot ik hem voor de derde keer ontmoette in de bibliotheek. Die keer kwam het in mij op dat het wellicht God was die deze schijnbare toevallige ontmoetingen bestuurde. Daarom vroeg ik Bill of hij mij wilde helpen om wat meer van de Puriteinen te weten te komen en zo begonnen we een wekelijkse bijbelstudie.
Bill gaf me enkele preken van Jonathan Edwards, zoals The Justice of God in the Damnation of Sinners, Pressing into the Kingdom of God, en nog meer die van pas kwamen, en ook Genuine Salvation van A.W. Pink. We hielden ook verscheidene bijbelstudies over Johannes 1. Nadat ik mij enkele weken had gericht op de kenmerken van een ware christen volgens Johannes 1, was de eerste vraag die in mijn gedachten kwam: Ben ik werkelijk gered? Wel, ik kwam heftig in opstand tegen deze gedachte, want in de eerste plaats wist ik zeker dat ik verlost was, ik was gewoon de zekerheid van mijn verlossing kwijt, ook weer door het nalaten van mijn godsdienstige plichten; in de tweede plaats was ik doodsbang om opnieuw te verkeren tussen die zwarte schaduwen van onzekerheid. Ik wilde alleen mijn geloof en vertrouwen terug en wat richtlijnen van de Puriteinen over een ijverig leven. 
In de herfst van dat jaar, toen ik Edwards’ Religious Affections uitgelezen had, was ik er bijna van overtuigd, zij het nog niet grondig, dat ik na alles nog ongered was, want ik kon geen kenmerken van het ware christendom in mij vinden, zoals ik ze had gelezen in deel III van dat boek; ik kon mij echter wel gemakkelijk herkennen in de vele onechte kenmerken van het christendom, zoals die in deel II waren beschreven. Met een verward en verontrust hart, probeerde ik mijn gedachten te richten op het advies dat ik twee jaar eerder had ontvangen. Ik probeerde mij talloze keren moed in te spreken, door mijzelf te zeggen dat het de Satan was die mij aan het twijfelen bracht, maar uiteindelijk kon ik mijzelf niet meer helpen. Ik raakte ervan overtuigd dat ik verloren was. Het was duidelijk, dat zowel Edwards als de Bijbel mij niet zag als een ware christen. Daarom begon ik te zoeken naar de zaligheid. 
Hoe meer ik ontdekte van Gods eigenschappen, des te meer raakte ik in verwarring. Om een voorbeeld te noemen: als God getrouw is, ook als wij het niet zijn, en als het Zijn getrouwheid is, waarop onze zaligheid rust, zou het dan ook zo zijn, dat Hij de goddelozen zal straffen op grond van Zijn getrouwheid en rechtvaardigheid? Als het waar is dat Hij getrouw is in het zaligmaken, dan is Hij eveneens getrouw in het straffen. Als ik verloren ben, zal ik dan ook zeker gestraft worden. En Gods straf is de verdoemenis in de hel. Dat betekende voor mij dat ik ongetwijfeld naar de hel zou gaan, tenzij God mij zou redden. 
Toen ik het een en ander las over de hel, ging de werkelijkheid ervan zó voor mij leven, dat ze mij angst aanjoeg. Ik wilde iets doen om aan de verschrikkingen van de hel te ontkomen en ik verlangde steeds meer naar de heerlijkheid van de hemel. Bij het lezen van Edwards werd ik eraan herinnerd: Wanneer je denkt dat je verloren bent, zoek dan ernstig God met alle krachten. Vraag God of Hij je de ellende van je ware natuur wil laten zien. 
Toen werd ik hevig getroffen door een tweede ontstellende uitdrukking van Edwards:”God is op geen enkele wijze verplicht een ziel te redden.” Onder geen enkele omstandigheid kon ik God verplichten mij te redden! Ik besloot God te zoeken en Hem te vragen om vergeving en verlossing, maar Edwards zei dat, hoe ernstig je ook zocht, je er niet zeker van kon zijn dat je door die inspanningen gered zou worden. Reken er niet op dat God je iets schuldig is en dat je zeker kunt zijn van een goede uitkomst. Nee, dat kon niet waar zijn, dacht ik. God belooft toch iedereen te redden, die Hem aanroept? Maar dit was Edwards’ antwoord: God is soeverein, de verlossing komt van Hem, en Hij schenkt deze alleen aan wie Hij dat wil. 
Dus als ik Hem zoek met de gedachte dat Hij mijn roepen zeker zal beantwoorden en Hij mij op Zijn tijd zal redden, dan ben ik aanmatigend, omdat ik geen acht sla op Gods absolute soevereiniteit, waarvan de verlossing alleen afkomstig is, en tegelijkertijd vertrouw ik op mijn eigen inspanningen als de oorzaak van mijn verlossing, aldus Edwards. En hoewel ik geen enkele hoop moet stellen op mijn ingespannen zoeken, zo zegt Edwards, is dit toch de enige weg waarin God Zijn reddende genade aan zondaren wil schenken. Wel, ik kon geen enkele fout vinden in deze redenering, maar tegelijkertijd kon ik ze niet met mijn hart aanvaarden.


(Wordt vervolgd)


Bron:   Knowing the Heart, Jonathan Edwards on True and False Conversion, Edited by William C. Nichols, International Outreach, p. 420-422