Eerste hoofdstuk uit de roman over Jonathan Edwards

East Windsor, half juli 1711

 

 

Jonathan dwaalde door de boomgaard achter de pastorie. De appelbomen hadden dit jaar uitbundig gebloeid. Hopelijk volgde er een grote oogst. Vader gebruikte de meeste appels om er cider en brandewijn van te maken, waarvan een groot deel werd verkocht aan de gemeenteleden. Elke extra inkomst was welkom!

 

Na twintig meter lopen kwam Jonathan bij de beek die al kronkelend door het landschap liep. Met een sprong belandde de jongen aan de overkant van het smalle water. Het groen van de dennenbomen stak donker af tegen de zomerlucht. Jonathan volgde het paadje, dat vader ook vaak volgde wanneer hij de eenzaamheid zocht. Het ging steil omhoog en liep de hoger gelegen, ongerepte bossen in. Het was heerlijk koel hier. Er was een zijpad naar links, dat bij een weg uitkwam, maar Jonathan liep rechtdoor, dieper het woud in. Je kon hier uren lopen zonder iemand tegen te komen. Jonathan hield ervan alleen te zijn. In huis praatten zijn zussen voortdurend met elkaar. Zij hadden altijd wel een onderwerp, waarover ze van gedachten wilden wisselen. Of er waren gasten, die enkele dagen of zelfs enkele weken bleven en lange gesprekken hielden met moeder.

 

Jonathan kwam bij zijn vertrouwde plekje. Hij dacht aan vader, die over enkele weken op reis moest gaan. Het zou een gevaarlijke tocht zijn. Er was immers oorlog met de Fransen in Canada. Hun leger, het Engelse, zou het Franse leger tegemoet trekken. Vader moest mee als predikant. Jonathan wist dat de Fransen machtig waren. Ze wisten soms Indianen over te halen om met hen mee te vechten. Dan waren ze dubbel zo sterk. In de buurt van East-Windsor hoefde je niet bang te zijn voor Indianen. Naast de kerk stond weliswaar een houten fort met een muur van palen, maar dat stond er al heel lang. Als er gevaar dreigde, doordat Indianen met boze bedoelingen in aantocht waren, zou het geluid van een trompet hen waarschuwen. Dan konden ze daar bescherming zoeken. Het fort was gelukkig nooit gebruikt. Maar op vaders studeerkamer stond een boek, dat vertelde van de aanval op Deerfield. Het was geschreven door oom John Williams, die het allemaal zelf had meegemaakt. In een nacht hadden de Indianen en de Fransen met vierhonderd man het dorp van oom John en tante Eunice overvallen. Veel mensen waren gedood, waaronder ook kinderen. Oom en tante waren ontvoerd naar Canada. Onderweg hadden de Fransen tante Eunice neergeslagen, omdat ze niet snel genoeg liep. Als ze vader ook eens kwaaddeden? Of als onderweg een stel Indianen tevoorschijn zou springen! Jonathan zag ze al voor zich, met beschilderde gezichten en halfnaakte lichamen. Krijsend, op vader afstormend, de strijdbijl omhoog geheven. “De dominee! Die moeten we hebben!” Jonathan knielde neer om te bidden.

 

Bij de pastorie zag hij vader met een hooivork lopen. “Mag ik met u mee?” Vragend richtten de jongensogen zich op de predikant. Edwards keek zijn zoon onderzoekend aan. Jonathan hield er nooit van om mee te helpen met het boerenwerk. “Heb je je Latijnse les al geleerd?” “Ja, vader, het was niet moeilijk.” “Ken je het echt goed, zonder fouten?” “Esther en Betty hebben me overhoord, ik wist alles.” “Het is fijn dat je grote zussen je helpen. Ga maar met me mee. Als Tim de wagen heeft gerepareerd, komt hij ook naar het land.” Tim was een negerslaaf, maar hij leek vaak meer op een lid van het gezin. Als ze ’s avonds de dagsluiting hielden, was hij er altijd bij. Jonathan nam een hooivork uit de schuur en achter vaders brede rug liep hij over het pad naast de pastorie naar de weg. Aan de andere kant van de Main Street strekte het hooiland zich uit, bijna tot aan de rivier de Connecticut, die meestal werd aangeduid als de Grote Rivier. Het hooiland lag een stuk lager dan de Main Street. Als de rivier buiten haar oevers trad, vooral in het voorjaar, was ze meer dan een kilometer breed. Gemeenteleden hadden aangeboden het hooi binnen te halen tijdens zijn afwezigheid, maar Edwards stond erop zoveel mogelijk werk klaar te hebben voor zijn vertrek. Natuurlijk stond hij toe dat een aantal mannen hem deze dagen hielpen. Alléén zou hij het werk nooit klaar krijgen. In ruil voor hun arbeid zouden hij de mannen in het najaar voorzien van appelcider en brandewijn. Vanaf de Main Street liep een weg in de richting van de rivier. Jonathan voelde een briesje. De frisse geur van de rivier vermengde zich met de kruidige geur van het hooi. Het uitzicht was hier prachtig. In de verte zag je de rivier en aan de overkant van het water lagen de huizen van Windsor. De kerktoren stak er boven. De kerk was groter en hoger dan die van East-Windsor. Vroeger staken de mensen die hier woonden iedere zondag met het pontje van meneer Bissell de rivier over om naar de kerk te kunnen gaan. Jonathan ging ook wel eens naar de overkant. Er waren vrienden die een bootje hadden. Vader was altijd blij als hij dan weer terug was en regelmatig waarschuwde hij hem dat hij voorzichtig moest zijn, zodat hij niet in de rivier zou vallen. “Let er goed op hoe je staat of zit in de boot, zodat je er niet uitvalt. Het zou vreselijk zijn wanneer je zou verdrinken.” Toen werd besloten hier ook een kerk te bouwen. Vader werd de eerste predikant, zelfs nog voor het kerkje af was. De eerste tijd preekte vader in een schuur. Maar dat was allemaal nog in de vorige eeuw, toen hij nog niet geboren was. Inmiddels was de gemeente zozeer gegroeid, dat ze nauwelijks meer in de kerk pasten. Zo’n tien kilometer achter Windsor lagen de heuvels. Jonathan zag dat ze al bezig waren. Na zo’n honderd meter begon de weg sterk te dalen. Jonathan ging op een drafje vooruit tot de weg weer vlakker was. Het hek naar het hooiland stond open. Een groepje mannen was al bezig. Toen ze hun predikant zagen, groetten ze hem beleefd. Jonathan bleef dicht bij vader. Samen gooiden ze het hooi, dat nu een aantal dagen had liggen drogen, op hopen. Vader wilde het hooi uiterlijk morgen in de schuur hebben. Het hoorde bij zijn voorbereidingen voor de grote reis. Bovendien voelde de lucht vochtig aan, zoals vaak in juli het geval was. Wellicht zou het binnenkort gaan regenen. “Jonathan, jongen,” zei vader ineens. Hij liet zijn hooivork rusten en keek zijn zoon bezorgd aan. “Zul je goed je Latijn blijven oefenen als ik er niet ben?” De knaap knikte. “Moeder kan mij overhoren en u komt toch weer terug?” “Als de Heere het wil, jongen.” Het werd weer stil op het land. Zwijgend prikte Jonathan het hooi op de vork en gooide het op de hoop. Vader wiste het zweet van zijn gezicht. “En zul je aan je ziel denken? Onze tijd is zo kostbaar!” Jonathans keel voelde vreemd aan en zijn ogen werden vochtig. Dit was misschien de laatste keer dat hij vader hielp.

 

 

§ § §

 

 

 

De pastorie van East Windsor bestond beneden uit twee grote vertrekken. Het ene vertrek, links vanaf de Main Street gezien, was het woongedeelte van de familie Edwards. Het vertrek rechts was de parlor. Het deed elke morgen dienst als schoollokaal. Op maandagmorgen was er geen school, dan gebruikte Edwards de ruimte als zijn ontvangstkamer. Het onderwijs in het schooltje werd gegeven door de predikant zelf. Het waren hoofdzakelijk jongens die hier les kregen. Ze waren afkomstig uit East Windsor of uit omliggende dorpen. Het schooltje van Edwards had een goede naam. De dominee gaf goed onderwijs en was niet tevreden met globale kennis. Edwards had zelfs een manier bedacht om de jongere kinderen te laten profiteren van de kennis en vaardigheden die zijn oudere leerlingen hadden opgedaan. Hij gaf hen namelijk de opdracht aan de jongere leerlingen door te geven wat ze zelf van hem hadden geleerd. Natuurlijk bleef Edwards hierbij zelf het toezicht houden, maar op deze manier bereikte hij dat hij alle kinderen kon bieden wat ze nodig hadden. Wanneer Edwards zelf niet aanwezig kon zijn, sprong de predikantsvrouw bij. Nu Edwards voorlopig geen onderwijs kon geven, kregen Esther en Betty, de oudste meisjes, de instructie om te zorgen dat de lessen toch voort konden gaan. Eerder hielpen ze ook wel, maar nu zou een deel van de verantwoordelijkheid op hen rusten. Het onderwijs van Edwards had een goede naam, zelfs zodanig dat de leerlingen die hij afleverde aan Yale College zonder meer werden toegelaten, terwijl alle andere kandidaten eerst een toelatingsexamen moesten doen. Dat moest zo blijven.

 

§ § §

 

 

Aan drie muren van de parlor waren houten banken bevestigd, waarop kinderen zaten te werken. Er waren maar weinig leerlingen, want heel wat jongens moesten thuis helpen met het werk op het land. Vader Edwards vond het echter belangrijk dat de lessen zoveel mogelijk doorgingen, vooral voor zijn eigen kinderen. Zij moesten niet vergeten wat ze hadden geleerd. Op de bank naast de deur waren Anne en Mary bezig Eunice en Abigaïl te helpen. Aan de andere kant van de parlor zat Jonathan met Esther en Betty. En op de bank aan de kant van de straat zaten de neefjes Stoughton, die naast de familie Edwards woonden, met daarnaast nog wat jongens uit de buurt. Vader had Jonathan zojuist iets geleerd op het gebied van de Latijnse grammatica en nu kregen de meisjes de opdracht om de jongen evenals gisteren zijn Latijnse woordjes te overhoren. Vader vond het belangrijk dat hij deze taal goed beheerste. De leerstof kon niet vaak genoeg herhaald worden. Jonathan was al ver in zijn “Accidence”, zijn lesboek voor dit vak. Toen vader zich ervan overtuigd had dat alle kinderen met hun werk bezig waren, verliet hij de parlor. Die ochtend stond grootvader Edwards voor de pastorie. Mercy, het dienstmeisje, deed hem open. Edwards was koopman en jurist.Hij woonde in Hartford, dat aan de andere kant van de rivier lag, ten zuiden van Windsor. Het was gunstig dat de pont die tussen Windsor en East-Windsor voer, ook paarden overzetten. Hierdoor kon hij binnen enkele uren bij de familie Edwards zijn. Toen ze merkten dat grootvader er was, viel het voor de oudste meisjes niet mee de jongere kinderen bij de les te houden. Voor de neefjes Stoughton was de komst van Edwards ook een verrassing, was hij was ook hun grootvader. “Jonathan, je zou die Latijnse zin nog vertalen!” Esther keek berispend naar haar broer, die zijn boek naast zich op de bank had gelegd. Jonathan pakte zijn boek weer op. De kleine Abigail die bezig was om op een kreukelig papiertje letters te tekenen, wilde de parlor uitlopen toen ze de stem van haar grootvader hoorde. “Blijf zitten, Abigail!” Betty’s stem klonk zo beslist, dat Abigaïl haastig weer de bank op schoot. “En Anne en Mary, jullie waren toch met de kleintjes aan het schrijven?” De deur ging langzaam open. Met een innemende glimlach keek grootvader naar de kinderen op de banken. “Ik ben niet zo’n goede onderwijzer, maar mag ik het even proberen?” Hij maakte met een aantal kinderen een praatje. “Wat heb jij geleerd?” Grootvader keek naar het papiertje dat Eunice in de hand had. “Ik kan schrijven!” De ogen van het meisje straalden. “Dat is fijn, kind, laat mij eens lezen!” Met houterige letters stond op het papier geschreven:”Gedenk ten allen tijde dat gij eenmaal zult sterven.” “Van Anne en Mary geleerd!” De kleine Abigail gleed ook weer van haar bank. “Ik kan ook schrijven!” Ze duwde hem het vodje met inktvlekken en boogjes in de hand. “Voor u!” “Zeg maar tegen je moeder dat ik hoop langs te komen,” zei grootvader tegen de kinderen Stoughton, nadat hij ook met hen een praatje had gemaakt. Bij de oudste kinderen Edwards informeerde grootvader naar hun vorderingen in het Latijn. Jonathan vertelde dat hij zijn “Accidence” bijna uit had. “Je lijkt op je vader,” zei Edwards. “Hij leerde ook zo graag. Alleen kreeg hij geen les van zijn vader…” “Vader heeft heel mooie boeken staan. Die mag ik lezen als ik er voorzichtig mee ben.” Jonathan wees naar de boekenkast die achterin de parlor naast vaders bureau stond.

 

§ § §

 

Mercy legde een laken op de lange, houten tafel en zette de tinnen borden erop. Om twaalf uur zou het tijd zijn voor de warme maaltijd. Het dienstmeisje liep naar de planken die aan de muur hingen. Aan een van de planken waren haken bevestigd. Hieraan hingen tinnen papkommetjes. Mercy nam er enkele af voor de jongste kinderen. Het viel haar op dat de borden en de papkommen hun glans wat begonnen te verliezen. “Vanmiddag zal ik het tin weer poetsen,” zei ze tegen Mary van tien. “Kun je me helpen of heb je erge pijn?” Het meisje had vaak last van haar nek en zat dan maar het liefst op een stoel. Vaak kon ze niet meedoen wanneer haar zussen hun karweitjes opknapten. Daarom vroeg het dienstmeisje Mary om hulp, wanneer ze een klusje had, waarbij je kon blijven zitten. “Het zal wel gaan,” zei Mary. Ook aan tafel had het kind een eigen stoel. De andere kinderen zaten op eenvoudige banken. Mercy schonk de cider in. Omdat het de gewoonte was samen te doen met de drinkkommen, hoefde ze er maar een paar neer te zetten. Moeder zette de schalen met eten op tafel: dampende maïspudding, wortels, vlees. Omdat grootvader er was, deed ze er wat extra boter en appelstroop bij, die ze allebei zelf gemaakt had. Die middag werd het hooi binnengehaald. De boeren die vader gisteren hadden geholpen, waren er nu ook weer. Jonathan zette zijn beste beentje voor. Het hooi opsteken kon hij nog niet. Dat liet hij maar aan Tim over. Wel deed hij zijn uiterste best om het Tim zo gemakkelijk mogelijk te maken. Met een rijf harkte hij het hooi dat was blijven liggen bij elkaar, zodat Tim het zonder moeite op zijn vork kon steken. De zwarte knecht genoot van zijn kleine vriend, en lachte steeds zijn witte tanden bloot. Jonathan genoot op zijn beurt van Tim, die net een grote broer was. Toen de paarden het hooi naar huis reden, klom Jonathan op de wagen. Hij ging op zijn rug in het hooi liggen. Dat lag heerlijk! Wat kon je zo goed nadenken. Hij tuurde naar de wolkenhemel, keek naar de vogels die rondvlogen, de insecten die voorbij zoemden. Vaak probeerde hij te begrijpen waarom de dingen zo waren zoals hij ze zag… Als je naar de wolken keek, zag je dat ze werden voortbewogen door de wind. Als je naar de vogels keek, en naar al die insecten, leek het ook wel of ze zich in een bepaalde richting bewogen. Gingen ze met de wind mee? En als dat zo was, waarom lieten ze zich dan meedrijven op de wind? Maar dit keer waren Jonathans gedachten tezeer vervuld van het naderende afscheid om zich in deze vragen te verdiepen. De paarden deden moeite om de helling naar de Main Street op te rijden. Toen ze er eenmaal waren, schoot de wagen met hooi ineens weer vooruit. Niet lang daarna stond de wagen voor de schuur. Het hooi zou door een groot, hoog luik naar binnen gegooid worden. Tim was op de wagen geklauterd om het hooi door het luik naar de schuurzolder te steken. “Ga jij binnen?” vroeg hij aan Jonathan. Terwijl Tim hem aan zijn handen vasthield, liet Jonathan zich langs de wagen omlaag zakken. Met een bons kwam hij neer. Hij zou vader goed helpen nu het nog kon! In de schuur klauterde hij langs de ladder de hooizolder op, de hooivork in zijn hand. “Gooi jij het naar achteren!” riep één van de boeren die vader hielp. “Dat is wat anders, jong, dan met je neus in de boeken te zitten!” plaagde een ander. Jonathan reageerde niet. Van zijn vier oudere zussen moest hij zo vaak iets aanhoren, waarvan hij het beter vond er niet op in te gaan. Maar diep in zijn hart had hij liever een boek op zijn schoot. Hij vond werken wel fijn, maar dan het liefst alleen, of samen met vader. Toen de wagen leeg was, vleide iedereen zich neer in de schaduw van de boomgaard. Het was daar heerlijk. Jonathan holde naar de vierkante, houten waterput, waar hij met behulp van een touw voorzichtig een emmer omhoog trok die voor de helft gevuld was met koel water. Vader zei regelmatig dat hij voorzichtig moest zijn, wanneer hij water putte. Het touw begon te slijten en moest nodig vervangen worden. Maar vader had het zo druk, dat er nog steeds niet van gekomen was. Jonathan schepte wat water op met zijn handen en liet het over zijn gezicht stromen. Vervolgens leste hij zijn ergste dorst. Tim kwam er ook aan. “Wil je nog meer?” lachte hij. Hij griste de emmer weg en goot het resterende water over Jonathans hoofd. Vader Edwards zag het gebeuren. “Tim, ik wil dat je je als een goede jongen gedraagt.” “Ja, meneer Edwards.” De Afrikaanse knecht keek onderdanig naar zijn meester. Jonathan vond het water over zijn hoofd wel prettig. Op de hooizolder was het warm en stoffig geweest. In de schaduw van een appelboom liet hij zich drogen. Hij had geen zin om met Tim een stoeipartij te beginnen. Tim zelf vond het trouwens ook heerlijk om even niets te doen. Mercy schonk wat kommen vol met appelcider uit, waar ze om de beurt uit konden drinken. De pauze duurde niet lang. Al gauw gingen ze terug naar het land om de volgende vracht hooi te laden. “Ik lig zo fijn!” mokte Tim. De blik van vader Edwards was voor hem echter voldoende aansporing om weer aan het werk te gaan. “Doe je werk ook goed als ik er niet ben, Tim.” Bij elkaar reed de wagen vier keer naar het land om een vracht te halen. Grootvader bleef tot de volgende morgen. Jonathan reed met hem mee naar de pont en keek hem na tot hij aan de overkant uit het zicht verdween.

 

§ § §

 

 

De laatste dagen voor vaders vertrek waren erg druk. Vader kon onmogelijk alle gemeenteleden bezoeken. Er waren bijna honderd grote gezinnen. Maar wie hij nog sprak, wees hij de weg naar de zaligheid. ’t Kon de laatste keer zijn. Enkele jongens van de gemeente waarschuwde hij in de oogsttijd geen vruchten uit de boomgaarden te stelen. Dat hadden ze vorig jaar gedaan, in de tijd tussen de kerkdiensten. “Zo verknoei je niet alleen je kostbare zondagmiddag, maar misbruik je deze zelfs door je schuld te vergroten.” Edwards knikte langzaam. “Ik draag mijn vrouw en kinderen op aan Gods genade. En wat mijzelf betreft: mijn leven is in Zijn hand.” De dag van het vertrek brak aan. Dokter Samuel Mather zou vader vergezellen naar Newhaven. Vader had samen met hem aan de Harvard Universiteit gestudeerd. Vader voelde zich niet lekker. Hij moest steeds hoesten en had last van zijn maag. Het afscheid naderde immers, en misschien zouden ze elkaar hier op aarde nooit weerzien… Dokter Mather had voor Esther en Betty een voorraad poeders meegenomen. Hij keek nog even naar de nek van Mary en gaf enkele adviezen. En hij legde Jonathan bemoedigend de hand op de schouder. “Als de Heere met je vader meegaat, is alles goed, jongen!” Jonathan moest slikken. De dokter zag Tim met een paar emmers naar de pomp lopen. “Ga maar niet paardrijden met Tim,” liet hij er zacht op volgen. “Daar ben ik niet gerust op.” “Tim wil graag hard rijden, net als op de paardenrace.” “Ik denk niet dat je vader een liefhebber is van de paardenrace.” “Vader vindt het roekeloos en verspilling van de genadetijd.” Vader gaf nog wat laatste aanwijzingen en waarschuwingen. “Als ik weg ben, kunnen de appelbomen bemest worden. Het touw van de waterput is ook nog niet vervangen. Dat moet hoognodig gebeuren! Let er ook op dat het vee niet in de boomgaard komt.” Maar vooral wees hij er met klem op dat ze de Heere moesten zoeken. “Of ik jullie ooit zal weerzien, weet God alleen. Gebruik je tijd om met God verzoend te worden!” Moeder had tranen in de ogen. Ze fluisterde:”Die op den Heere vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.”

 

 

Literatuur bij Hoofdstuk 1

Alice Morse Earle, Stage-Coach and Tavern Days

Alice Morse Earle, Customs and Fashions in New England

Jean Kremidas, The History of South Windsor Connecticut: Settlement to Incorporation 1634 – 1845

George M. Marsden, Jonathan Edwards, A Life, p. 11-24

K.P. Minkema, “Informing of the child’s understanding, influencing his heart, and directing its practice”: Jonathan Edwards on education, in: Acta Theologica 2011:2

Iain H. Murray, Jonathan Edwards, A new biography, p.3-21

Mary Seabury Starr, The Connecticut Quarterly

Henry R. Stiles, M.D., The history of ancient Windsor, Connecticut Increase N. Tarbox, Timothy Edwards and his parishioners, in: The Congregational Quarterly, 1871

Ola Elizabeth Winslow, Jonathan Edwards

Increase N. Tarbox, On the early life of Jonathan Edwards The memorial volume of the Edwards family meeting at Stockbridge, Boston, 1871