Henoch door het geloof weggenomen

 

Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien, en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want vóór zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.
Hebreeën 11:5



Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. Van volharden is slechts sprake, wanneer het begin goed is, dat wil zeggen uit God. Dat vinden we treffend in het leven van Henoch, de zevende in de lijn van Adams geslacht uit Seth.
We lezen in Gen. 5:22, dat hij met God wandelde, nadat hij Methusalah gewonnen had driehonderd jaren. Mogelijk, dat de geboorte van zijn eerste kind hem tot inkeer bracht, dat de Heere toen Zijn genade in hem verheerlijkte. In elk geval heeft hij zijn verdere leven de vreze Gods beoefend. Zijn leven sprak. Hij heeft zijn plaats op aarde ingenomen evenals andere mensen. Hij gewon zonen en dochteren. Anderzijds was zijn wandel in de hemel. Er was bij hem het afsterven van de oude en de opstanding van de nieuwe mens door de kracht en Geest van Christus.
Hier zien we wat alleen genade van een zondaar maakt. Dat werk der genade is voor elk mens noodzakelijk. Henoch heeft getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde. De Heere heeft hem voortdurend gadegeslagen en zijn hart en al zijn gangen nagegaan. Daarin vond de Heere Zijn eigen werk. Dat behaagde Hem. Hij zag met welgevallen op Henoch neer. Het leven van Henoch in het verborgen en in het openbaar verheerlijkte Hem. Hij gaf Henoch daarvan getuigenis in zijn hart. Hij gaf hem vrede en rust en kracht om staande te blijven in het geloof, om te volharden te midden van een wereld vol verval. De Heere gaf hem uitzicht op een volkomen verlossing door Christus en bereidde hem door de strijd heen voor op de hemelse heerlijkheid. De Heere slaat alle mensen gade. Geldt het getuigenis aangaande Henoch ook ons? Gods kinderen hebben alles aan de Heere te danken. Ze gaan vrucht dragen uit en door Christus en daarop zet de Heere Zijn stempel. Hij geeft Zijn vrede, die alle verstand te boven gaat.
Henoch ontmoette vijandige bejegening. Hij leefde in een tijd van groot verval. In zijn dagen begon de ongerechtigheid zich te vermenigvuldigen. Het aantal godvrezenden werd steeds minder. Henoch getuigde tegen de zonde. Hij was in zijn wandel een profeet, maar hij sprak ook in de naam des Heeren als profeet. We lezen daarvan in de brief van Judas. Hij waarschuwde en kondigde het gericht aan. De mensen luisterden niet, maar gingen door in de zonde. Zij gingen zich steeds meer uitleven in de ongerechtigheid.
We kunnen daarin het beeld zien van onze tijd. Er wordt nog gewaarschuwd. God heeft nog Zijn knechten. Het Woord wordt nog gepredikt. In vergaderzalen kan men nog horen: tot de wet en de getuigenis… Maar de mens gaat door. Hij maakt zich rijp voor het oordeel.
De waarschuwingen van Henoch wekken verzet, zij maken de haat wakker. De mensen gaan een vijandige houding aannemen. Ze willen Henoch het zwijgen opleggen. Men gaat op zijn dood toeleggen. Er was voor Henoch geen plaats op aarde, omdat er geen plaats was voor de Heere en Zijn wet. Daarom is er geen plaats voor Gods volk, vooral niet voor een getrouwe getuige. Dat was niet iets nieuws. Abel was al door zijn broeder Kaïn gedood. Het zou zo blijven. Veel profeten moesten hun getuigenis met de dood bekopen. Christus Zelf werd gehaat, verworpen en gekruisigd. En na Hem zijn er vele bloedgetuigen gevolgd. Zo zal het blijven tot het einde der dagen. Jezus heeft gezegd: zij hebben Mij vervolgd, zij zullen ook u vervolgen.
Henoch volhardt in het geloof. Hij wandelde door het geloof. Hij leefde in de gemeenschap met de Heere. Hij was een vreemdeling op aarde. Hij was een pelgrim op reis naar de Godsstad. Hij bezat het ware geloof. Dat had hij ontvangen als een gift van Gods genade. Dat vloeide voort uit Christus, Wiens Geest hij ontvangen had. Dit geloof werkte door de liefde. Daardoor had hij kracht om aller zonden vijand te zijn en de Heere aan te hangen, te betrouwen, te volgen. En zo vond hij zijn sterkte in de Heere. Hij bleef in zichzelf zondaar en leefde in een goddeloze wereld, maar hij had uitzicht op een toekomst zonder zonde in de volle gemeenschap met God.
Henoch wandelde door het geloof. Dat was alleen mogelijk door Christus, Die de Voleinder des Geloofs is. Zo had hij verwachting op de Heere, Die niet beschaamt degenen, die op Hem hopen. Onder de toelating des Heeren konden de vijanden hun kwade gezindheid tonen. Henoch werd van alle kanten gehaat, bespot en bedreigd, mogelijk zelfs door zijn naaste verwanten, door eigen huisgenoten. Hij kwam haast alleen te staan. Hij bleef aan de Heere vasthouden. In gebed en geloof beoefende hij de nauwe gemeenschap met de Heere. Hij bleef volharden. Zijn tijden waren in Gods hand. Dat geldt al Gods kinderen. Zij kunnen niet omkomen, omdat Christus volhard heeft en voor hen bidt.
We lezen, dat God Henoch wegnam. Eerst bewaarde Hij hem. Vele jaren lang. De vijanden konden hem geen kwaad doen. Maar ten slotte nam de Heere hem weg, op Zijn tijd. Hij nam hem bij de hand, vernieuwde hem geheel en al naar lichaam en ziel en bracht hem de eeuwige heerlijkheden binnen. Henoch volgde door het geloof. Hij was rijp voor de hemel. Hij was toen 365 jaar oud; voor die dagen nog jong. Er waren er nog van zijn voorgeslacht in leven. Maar Henoch was toebereid en zo was het uur van Gods welbehagen gekomen. Zo gaat het naar de ziel met al Gods kinderen. Eerst worden ze geleid naar Gods raad en dan opgenomen in heerlijkheid. De Heere had met het wegnemen van Henoch een doel, namelijk dat hij de dood niet zien zou. Van anderen lezen we: en hij stierf, maar van Henoch: en hij was niet meer, en: hij werd niet gevonden. Men heeft hem gezocht, maar tevergeefs. De Heere had hem bewaard en deed hem ingaan zonder dodelijke ziekte en zonder stervensproces en doodsbenauwdheid. Hij verloste hem volkomen en deed hem delen in Zijn zalige gemeenschap. Daardoor was Henoch in staat Zijn wandel met God voort te zetten in volmaaktheid.
Vele kinderen Gods sterven de marteldood. Christus Zelf moest de dood in zijn volle omvang ingaan om de Zijnen van de dood te verlossen. Daardoor heeft Hij de vloek uit de dood weggenomen en kunnen Gods kinderen ook op hun sterfbed komen zonder de dood te zien, zoals Jacob, die het uitsprak: op Uw zaligheid wacht ik, o Heere. Geldt dat ook ons? Dan wordt het geloof verwisseld in aanschouwen.

Meerkerk                                                                                          ds. G. Blom

Uit: Reformatorisch Dagblad, Vrijdag 11 november 1977