De noodzaak van de wedergeboorte

 

Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan het Koninkrijk Gods niet ingaan.
Johannes 3:5


De Heere Jezus was naar Jeruzalem gegaan om te prediken en wonderen te verrichten. Een van de hoorders was Nicodemus, een schriftgeleerde. Diens belangstelling was opgewekt. Hij wilde Jezus nader ontmoeten, durfde niet overdag en kwam daarom des nachts tot Hem.
Mogelijk wilde Nicodemus over een of ander theologisch onderwerp spreken, maar Jezus neemt terstond de leiding. Hij spreekt over de noodzaak van de wedergeboorte. En nog altijd stelt Hij de mens deze noodzaak voor ogen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: tenzij dat iemand wedergeboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien.
Dit had deze wetgeleerde moeten verstaan. Hij leefde bij Gods Woord. Ook het Oude Testament sprak van de noodzaak van een nieuw hart. Als leraar Israëls had hij dit aan anderen moeten voorhouden. Maar hij was zeer onkundig. Hij begreep niet wat Jezus bedoelde. Hij dacht aan een tweede natuurlijke geboorte. Hij mist het werk van Gods Geest, de nieuwe geboorte, waardoor een mens van dood levend gemaakt wordt. Hij is nog dood in zonden en misdaden. Hij is een kind des koninkrijks, maar hij is nog buiten het koninkrijk Gods.
Dit laat ons zien hoe onkundig de mens is, al leeft hij onder het evangelie. We moeten eerlijk worden, evenals Nicodemus. Dan worden we vatbaar voor onderwijs. De Heere kent de onkunde. Hij wil onderwijzen. Hij zoekt het behoud van Nicodemus. Hij is niet gekomen om de zielen der mensen te verderven, maar om ze te behouden. Hij heeft deze schriftgeleerde onder Zijn bearbeiding genomen. En dat is nog altijd Zijn werk. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods.
Jezus geeft Nicodemus gelegenheid om zijn verwondering te uiten en met zijn onkunde voor de dag te komen. Maar dan gaat Hij weer spreken als Leraar, met het hoogste gezag. Hij herhaalt Zijn: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u. Daarmee was Hij Zijn gesprek met Nicodemus begonnen. Dat leidt in op plechtige wijze wat Jezus herhaalt omtrent de noodzaak van de wedergeboorte. Hij getuigt van wat nodig is voor elk mens. Het gaat om eeuwig wel of eeuwig wee.
Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan het koninkrijk Gods niet ingaan. Dat is duidelijk. Elk mens moet geboren worden uit water en Geest. Hij moet dus voor de tweede keer geboren worden. Dat is evenmin als de eerste keer een werk van de mens zelf. Dat spreekt van een daad Gods. De Heere alleen kan het nieuwe leven werken.Daarom spreekt Jezus van geboren worden uit water en Geest. WATER wijst heen naar de totale reiniging die nodig is. En GEEST wijst heen naar de Heilige Geest als Werkmeester van het nieuwe leven. Deze Geest wederbaart, maakt een zondaar van dood levend, bewerkt een volkomen vernieuwing. Het is door deze levendmakende Geest, dat een zondaar opstaat uit het graf der zonde en des doods en zo neemt het nieuwe leven een aanvang. En de Heilige Geest is het ook, Die dit leven onderhoudt. Daardoor wordt een zondaar vernieuwd naar het evenbeeld van Christus.
De Heere Jezus benadrukt dit nog meer: Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees en hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest. Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: gijlieden moet wederom geboren worden. De wind blaast, waarheen hij wil en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit de Geest geboren is.
Onze Heidelberger Catechismus belijdt geheel in overeenstemming met deze woorden, dat wij onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, tenzij wij door de Geest Gods wedergeboren worden. En Gods kinderen leren dit beamen.
De Dordtse Leerregels spreken treffend over deze vernieuwing. We lezen daar: Voorts wanneer God dit zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert en de ware bekering in hen werkt, zo is het dat Hij niet alleen het evangelie hun uiterlijk doet prediken en hun verstand krachtig door de Heilige Geest verlicht, opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn, maar Hij dringt ook in tot de binnenste delen des mensen met de krachtige werking deszelfden wederbarenden Geestes. Hij opent het hart, dat gesloten is, Hij vermurwt dat hard is, Hij besnijdt dat onbesneden is. In de wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt, die boos was, goed wordt, die niet wilde, nu metterdaad wil, die wederspannig was, gehoorzaam wordt. Hij beweegt en sterkt die wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen.
We kunnen ook nog wijzen op paragraaf 12 van genoemde leerregels (Hoofdstuk 3 en 4), die op het voorgaande volgt, waarin nader over deze wedergeboorte gesproken wordt. We moeten er mee volstaan daarnaar te verwijzen. De mens is dus van nature buiten het Koninkrijk, ondanks de vele voorrechten, die hij kan bezitten. Men kan een kind des koninkrijks zijn en straks nog buitengeworpen worden. We moeten overgaan van het rijk van Satan in het koninkrijk van Gods genade, waar Christus heerschappij voert. Dit koninkrijk moest Hij ten dage van Nicodemus nog verwerven, maar nu heerst Hij aan de rechterhand Gods en eens komt Hij op de wolken des hemels.
Alleen door wedergeboorte kan een mens ingaan in dat koninkrijk. Te voren had Jezus al gezegd, dat de mens het koninkrijk zelfs NIET KAN ZIEN. Hij is blind. Hij heeft er geen oog voor om de waardij van dat koninkrijk te zien. Hij ziet de weldaden van dat koninkrijk niet en evenmin de schoonheid van de Koning van dit rijk. Bij de wedergeboorte opent de Heere de ogen van de boreling en dan gaat de mens zien en gaat hij ook zoeken om in te gaan.
Zo wordt de zondaar verlost van de heerschappij van Satan en zonde. Buiten dat koninkrijk gaat de mens de dood tegemoet, door eigen schuld. Als de mens ingaat, gaat hij het leven tegemoet en dat uit vrije genade. We moeten dus ingaan in het koninkrijk, dan zullen we behouden worden. Dat bindt Jezus ook op het hart van Nicodemus. En Hij werkt het nieuwe leven, maar dat is voor Nicodemus verborgen.
Wel gaat Jezus wijzen op Zichzelf als de Zoon des mensen. Hij is uit de hemel nedergekomen en moet verhoogd worden, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Hij spreekt van de liefde Gods, Die Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Dat is nog het evangelie, waar plaats voor gemaakt moet worden in onze harten.
Dat was bij Nicodemus het geval, zoals later duidelijk blijkt. Als Jezus later weer in Jeruzalem is en de vijandschap nog groter geworden is, dan neemt hij het voor Jezus op en wil hij Zijn smaadheid dragen. En later vinden we hem bij het kruis. Met Jozef legt hij het lichaam van Jezus in een nieuw graf. Jezus is hem alles geworden. Hier zien we hoe de Heere werkt en de Zijnen leidt op de weg des levens. Zijn wij al geboren uit water en Geest?

Meerkerk                                                                                                        Ds. G. Blom