Kennis van ellende gaat vóór verlossing

 

Ik zal henengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij zichzelf schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bang zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken. 
Hosea 5:15

 

(door Jonathan Edwards)

 


In het voorafgaande gedeelte van dit hoofdstuk wordt de verwoesting van Efraim bedreigd.
In het algemeen worden in de profeten met Efraim de tien stammen, of het koninkrijk van Israel bedoeld, dus de twaalf stammen. Zo lezen we in vers 12:”Daarom zal Ik Efraim zijn als een mot en den huize van Juda als een verrotting”.
Met Juda worden de twee stammen van Juda en Benjamin bedoeld, die onder de koning van Juda staan en met Efraim worden de tien stammen onder de koning van Israel bedoeld. Efraim wordt voor het gehele koninkrijk van Israel gesteld, omdat Samaria, de koninklijke hoofdstad, in die stam gelegen was.
In het vers, dat onze tekst voorafgaat, wordt verklaard, op welk een vreselijke manier God met Efraim dreigt te handelen:”Want Ik zal Efraim zijn als een felle leeuw en den huize Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en henengaan; Ik zal wegvoeren en er zal geen redder zijn.”
Dan spreekt God in onze tekst, hoe Hij daarna met hen zou handelen:
1. Hoe Hij Zich van hen zal terugtrekken:
“Ik zal henengaan en keren weder tot Mijn plaats.” Nadat Ik als een leeuw verscheurd heb, zal Ik weggaan. Ik zal hen in die toestand achterlaten en zij zullen Mij niet meer zien.
2. Waarop God in hen wil wachten, voordat Hij wederkeert om hen genade te bewijzen.
Daarin liggen drie zaken opgesloten:
a. Zij behoren zich hun schuld bewust te worden:”Totdat zij zichzelven schuldig kennen.” Dit betekent, totdat zij in eigen oog zich zo schuldig gevoelen, dat alle mond gestopt wordt en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Romeinen 3: 19.
b. Zij behoren zich hun ellende bewust te zijn:”Als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken”.
Door hun trots en verdorvenheid merkten ze hun ellendige toestand niet; merkten zij niet, dat vreemden hun kracht verteerden en de grauwigheid op hen verspreid was, Hosea 7: 9.
c. Zij behoren zich bewust te worden, hoe zij Gods hulp nodig hebben:”Ze zullen Mij vroeg zoeken”. “Vroeg`, dat wil zeggen: met grote ernst en zorg.
Tevoren wilden ze God niet zoeken, want ze gevoelden hun volkomen hulpeloosheid niet:”Als Efraim zijn krankheid zag en Juda zijn gezwel, zo toog Efraim tot Assur en hij zond tot de koning Jareb”. We lezen echter, dat die hen niet kon genezen en hun gezwel niet kon helen, vers 13.
God dreigt hen te verscheuren en henen te gaan, opdat ze alleen bij Hem genezing zouden zoeken.

Uit dit alles kunnen wij leren:

Dat het Gods wijze van handelen is, de mensen zich van hun ellende en onwaardigheid bewust en gevoelig te maken, vóórdat Hij Zich aan hen in Zijn barmhartigheid en liefde openbaart.

Twee zaken komen hierin naar voren:

1. Aldus handelt Hij gewoonlijk ten opzichte van het verlenen van grote en voortreffelijke barmhartigheden.
2. Aldus handelt Hij in het bijzonder ten opzichte van de openbaring van Zijn liefde en barmhartigheid aan hun zielen.

1. Het is Gods gewone weg om aldus te doen, voordat er sprake is van grote en voortreffelijke uitlatingen van Zijn genade en gunst. Hij handelt gewoonlijk op deze wijze in Zijn Voorzienigheid en beïnvloedt de mensen zó door Zijn Geest, opdat zij er toe worden gebracht om hun ellendige staat, zoals zij in zichzelf zijn, mogen zien en aan hun eigen hulp leren wanhopen.
Voordat Hij genade schenkt, maakt Hij hun aldus gevoelig van hun zonde en onwaardigheid van Gods hulp. Dit blijkt uit de beschrijving, welke ons de Schrift geeft aangaande Gods handelingen met Zijn volk:
a. Jozef moet eerst in de kerker verkeren, voordat Hij in Egypte verhoogd wordt; hij moet eerst vernederd worden om hem tot zulk een eer en voorspoed voor te bereiden.
b. De kinderen van Jacob moeten een aaneenschakeling van moeilijkheden en angsten doorstaan, voordat Jozef zich aan hen openbaart, totdat zij tenslotte zo in nood geraken, dat ze aan hun misdaad gedenken en belijden, dat ze zeer schuldig zijn aan hun broeder. Zo vernedert God hen in Zijn Voorzienigheid en dan lossen zich de moeilijkheden op en verandert hun droefheid in vreugde, als Jozef zich aan hen bekendmaakt. Ook gaan zij dan delen in de eer en voorspoed van Jozef.
c. Jacob geraakt eerst in grote droefheid en nood, als Simeon in Egypte achterblijft en ook Benjamin mee moet naar Egypte. Hij roept uit:”Al deze dingen zijn tegen mij.”
Maar spoedig daarop hoort hij de blijde tijding:”Jozef leeft nog; ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland!” 
Als bewijs daarvan ziet hij de wagens en geschenken, die Jozef gezonden had.
Nu kan hij uitroepen:”Het is genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog! Ik zal gaan en hem zien, eer ik sterve!”
d. Zo was het met de kinderen Israels in Egypte. Hun harde dienst werd steeds zwaarder. Tenslotte moeten ze zelf stro zoeken en toch evenveel werk doen. Maar spoedig daarop volgt hun bevrijding.
Als ze daarna voor de Rode Zee staan, worden ze door de Egyptenaren achterhaald en zo ingesloten, dat er geen onkomen meer aan schijnt.
In die nood verschijnt God wonderlijk tot hun hulp; baant een weg door de zee en legt gezangen van bevrijding in hun mond. Eer zij in Kanaan gebracht worden, leidt God hen veertig jaar door een grote en vreselijke woestijn vol gevaren en verzoekingen. Zo leert Hij hen hun afhankelijkheid van Hem gevoelen en ontdekt de zondigheid van hun eigen hart, Deut. 32: 10:”Hij vond hen in een land der woestijn en in een woeste huilende wildernis. Hij voerde hen rondom, Hij onderwees hen, Hij bewaarde hen als Zijn oogappel.”
Door die beproevingen werden ze vernederd, leerden ze de verdorvenheid van hun hart kennen, opdat ze overtuigd werden van hun dwarsheid en onhandelbaarheid en opdat ze zouden weten, dat God hen niet om hun gerechtigheid tot Zijn volk geëigend had en Kanaan aan hen zou geven:”En gij zulkt gedenken aan al de weg, die de HEERE uw God u deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft, opdat Hij u verootmoedigde om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of ge Zijn geboden zou houden of niet. En Hij verootmoedigde u en liet u hongeren en spijsde u met Man, dat gij niet kende, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft; maar dat de mens leeft van alles, dat uit des HEEREN mond uitgaat”, Deut. 8: 2-3.
Zo ook vers 15-17:”Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen en schorpioenen en dorheid waren en geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht; Die u in de woestijn spijsde met Man… om u te verootmoedigen en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldeed en gij in uw hart niet zegt: Mijn kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen.” 
We vinden er ook voorbeelden van in de tijd van de Richteren. Als ze deden, wat kwaad was in Gods ogen, gaf Hij ze zo lang over in de handen hunner vijanden, dat ze in grote benauwdheid en in een hopeloze toestand geraakten; weer tot zichzelf kwamen en tot God gingen roepen. God wilde hen dan niet eerder verlossen dan totdat Hij hen vernederd had en zij hun onwaardigheid erkenden en zich in Gods handen overgaven:”Toen riepen de kinderen Israels tot de HEERE, zeggende: Wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onze God hebben verlaten, als dat wij de Baäls gediend hebben. 
Maar de HEERE zeide tot de kinderen Israels: Heb Ik u niet van de Egyptenaren en van de Amorieten en van de kinderen Ammons en van de Filistijnen en de Sidoniers en Amalekieten en Maonieten, die u onderdrukten, toen gij tot Mij riep, alsdan uit hun hand verlost? Nochtans hebt gij Mij verlaten en andere goden gediend, daarom zal Ik u niet meer verlossen ten tijde uwer benauwdheid. Gaat henen en roept tot de goden, die gij verkoren hebt; laat u die verlossen ten tijde uwer benauwdheid. 
Maar de kinderen Israels zeiden tot de HEERE: Wij hebben gezondigd, doe Gij ons naar alles, wat goed is in Uw ogen; alleen verlos ons toch te dezen dage. En zij deden de goden uit hun midden weg en dienden de HEERE. Toen werd Zijn ziel verdrietig over de arbeid (Eng. vert.: de ellende) van Israel”, Richteren 10: 10-16.
Dit nu is de weg, waarin God met Zijn volk handelt, zoals Hij reeds van het begin verklaard heeft:”Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden en de ongerechtigheid hunner vaderen met hun overtredingen, waarmee zij tegen Mij overtreden hebben en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben, dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben, dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob en ook aan Mijn verbond met Izaak en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken; als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest en aan zijn sabatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had. En hierenboven is dit ook: als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen, want Ik ben de HEERE hun God. Maar Ik zal hun ten beste gedenken des verbonds der voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen der heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God ware.”  Lev. 26: 40-46.
Het is Gods wijze van handelen, als Hij, in antwoord op het gebed, opmerkelijke weldaden wil schenken, dat Hij de mens die doet zoeken en daarom doet bidden met een gevoel van zonde en ellende:”Alle gebed, alle smeking, die van enig mens van al uw volk Israel geschieden zal, als zij erkennen een ieder de plaag zijns harten en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal – hoor Gij dan in de hemel, de vaste plaats Uwer woning en vergeef en doe en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent, want Gij alleen kent het hart van alle kinderen der mensen, opdat zij U vrezen al de dagen…”, 1 Kon. 8: 38 en 39.
Onder het erkennen van de plaag zijns harten worden zowel hun zonde als hun ellende verstaan. In 2 Kron. 6: 29 staat dan ook:”Als zij erkennen een ieder zijn plaag en zijn smart.” Deze komen voort uit de zonde.
Paulus verhaalt ons, hoe God hem vóór een grote verlossing aan zichzelf deed wanhopen:”Ja, wij hadden als zelf in onszelf het vonnis des doods, opdat we niet op onszelf vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt; Die ons uit zo grote dood verlost heeft…”, 2 Kor. 1: 9-10.

 

Hoe heeft Christus ook de Kananese vrouw niet vernederd. Hoe brengt Hij haar tot de belijdenis van haar eigen onwaardigheid, eer Hij haar antwoordt en haar dochter geneest! Als zij blijft roepen, wanneer Hij haar met geen woord antwoord; geen aandacht aan haar schijnt te besteden en Zijn discipelen willen, dat Hij haar wegstuurt, geeft Hij haar een vernederend antwoord:”Het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme en de hondekens voorwerpe.” En als zij dit goed opneemt en erkent, dat Hij niet teveel zegt, als Hij haar een hond noemt en dat ze daarom het brood der kinderen niet waard is; maar met de kruimels tevreden wil zijn, dan beantwoordt Christus haar bede.

Welnu, de ondervinding van Gods volk komt door alle eeuwen met deze voorbeelden overéén. Het is Gods gewone weg om Zijn volk bijzonder te verootmoedigen; hen hun ellende en hulpeloosheid in zichzelf, hun onreinheid en onwaardigheid te doen gevoelen, hetzij door een opmerkelijk vernederend beschikking van Zijn voorzienigheid, hetzij door de bearbeiding van Zijn Geest, vóórdat Hij bijzondere bewijzen van Zijn barmhartigheid en liefde aan hen schenkt, vooral in geestelijke weldaden.

 

 

2. God doet in de tweede plaats de mens zijn onwaardigheid en ellende bijzonder gevoelen, vóórdat Hij Zijn zaligmakende liefde en barmhartigheid aan zijn ziel openbaart.

De genade van God, die Hij aan een zondaar bewijst, als Hij hem met de Heere Jezus Christus verenigt, is de grootste en wonderlijkste betoning van barmhartigheid en liefde, die de mens ooit kan ondervinden.

Er zijn andere dingen, waarin God Zijn genade en goedheid aan de mens betoont, veel tijdelijke weldaden.

De weldaden, die wij reeds noemden en die God aan Zijn oude volk geschonken heeft, zoals Jozefs verhoging in Egypte, hun doortocht door de Rode Zee, hun ingaan in het land Kanaän en het verdrijven van de heidenen uit dat land waren grote weldaden.  

Deze weldaden zijn echter niet te vergelijken met de genade, waardoor Hij Zijn volk van onder de schuld en de heerschappij der zonde verlost.

Verscheidene van die tijdelijke weldaden zijn wèl afschaduwingen van deze geestelijke weldaad.

Als God nu hen, om hun die mindere weldaden te geven, gevoelig maakt van hun schuld, ellende en onwaardigheid, wil Hij dat in het bijzonder doen, vóórdat Hij hun Zijn grote liefde in Jezus Christus bekend en deelachtig maakt. Hij doet hen eerst tot zichzelf komen, zodat ze zien, wat zij zijn, wat ze gedaan hebben en in welk een staat zij zich bevinden.

Er is een harmonie tussen al Gods handelingen. Zo is Zijn wijze van handelen met de ziel van de mens, aan wie Hij Zijn genade en liefde in Jezus Christus staat te bewijzen, in overeenkomst met die, welke Hij openbaart, als Hij de mens andere grote en opmerkelijke betoningen van Zijn gunst bewijst.

 

1. God maakt dat de mensen gaan zien en gevoelen aan welke zonden zij schuldig staan. Vóór die tijd is de mens daaromtrent zeer zorgeloos en onbedachtzaam.

Hij leefde in de zonde en dacht er nooit over na wat hij deed. Hij lette er niet op, welke en hoeveel zonden hij deed. Hij zag geen reden of oorzaken, waarom hij zich daarover zou verontrusten. Als God hem echter overtuigt, stelt Hij zijn zonden in orde voor ogen. Hij brengt hem zijn oude zonden, die hij bijna vergeten had, in herinnering. Nu gaat de mens veel dingen, die hij als onbetekenende overtredingen beschouwde en die hem niet als een last op de consciëntie drukte, zodat hij het de moeite niet waard vond om erop te letten, in een ander licht zien. Hij gaat zien, aan welk een menigte van overtredingen hij zich schuldig gemaakt heeft – aan zovele, dat ze tot aan de hemel reiken. Vooral sommige zonden zijn steeds vóór hem, zodat hij ze niet uit zijn gedachten kan krijgen. In die overtuigingen achtervolgen hem vaak zijn zonden en kwellen hem steeds.

God doet hem zijn hartzonden gevoelen en leert hem zien, hoe verdorven en ontbloot zijn hart is. Hij laat zien, hoe zijn zondig leven ervan getuigt hoe zondig zijn natuur is – dat hij verkocht is onder de zonde en dat zijn hart alleen maar verdorven is, als God hem door Zijn Geest recht onderwijst.

Soms geeft God de zondaar over aan de inwendige werkingen der verdorvenheid onder de verzoekingen, die hij in zijn schrik en vrees voor de hel heeft en dat toont hem wat een verdorven en goddeloos hart hij heeft. Zo leert de zondaar de verdorvenheid van zijn natuur grondig kennen.

God leidt de zondaar door de woestijn om hem te verzoeken en hem te laten weten wat in zijn hart is, zoals Hij de kinderen Israëls in de woestijn door de beproevingen leerde zien welk een murmurerend, opstandig, ongelovig, hardnekkig en afgodisch volk zij waren.

Dit zal echter de zondaar in het minst niet verontschuldigen, als hij aan de werkingen der verdorvenheid in zijn hart toegeeft; ook al laat God sommigen daardoor hun goddeloosheid kennen, opdat Hij dit daarna tot hun heil doet zijn, als Hij dit in Zijn oneindige wijsheid nodig keurt.

Wij moeten het kwade niet doen, opdat het goede daaruit zal voortkomen. Als we dit doen, openbaren we hoe vreselijk onredelijk en verwaand we zijn. Hoewel God in Zijn soevereine genade soms die werkingen der verdorvenheid, de geest van vijandschap en tegenstand tegen Hem wel als een middel gebruikt om de mens de onreinheid van zijn eigen hart te leren kennen en dit doet dienen tot zijn bekering, wordt Hij daardoor ook vaak uitgedaagd om Zich geheel van hen te onttrekken. Dit zien we in die murmureerders, wier lichamen in de woestijn vielen, want God had in Zijn toorn gezworen, dat zij niet in Zijn rust zouden ingaan. Zij, die zich moedwillig aan hun goddeloosheid overgeven, staan in groot gevaar om daartoe God te tergen. Desondanks is het Gods wijze van doen om de mens door één of ander middel de plaag van zijn hart te openbaren, vóórdat Hij Zijn verlossende liefde aan zijn ziel openbaart.

Zolang de zondaar niet overtuigd wordt, blijft de zonde verborgen. Ze geven er geen acht op. Maar God maakt de wet krachtdadig om de mens de zonden van zijn hart en leven voor ogen te stellen, Rom. 7:9:”Zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden.”

De openbaring van Jozef aan zijn broeders is in zekere zin een afschaduwing van Christus’ openbaring van Zichzelf aan de ziel van een zondaar. Christus maakt Zich in Zijn liefde en in Zijn nauwe betrekking van Broeder en Verlosser aan de ziel van de zondaar bekend. Eer Jozef zich echter aan zijn broeders bekend maakte, kwamen zij tot zichzelf en riepen uit:”Voorwaar, wij zijn schuldig.”

 

 

2. God overtuigt de zondaars van het vreselijk gevaar, waarin zij vanwege hun zonden verkeren. Als God hen hun zonden voor ogen gesteld heeft, doet God hen gevoelen hoe hun zonde verbandt houdt met hun ellende.

Hier zijn twee zaken, waarvan ze omtrent hun gevaar overtuigd worden.

a. God doet hen gevoelen, dat Zijn ongenoegen zeer vreselijk is:

Ze hadden vaak van de toorn Gods, de gramschap van Zijn toorn gehoord, maar ze werden er niet door bewogen. Nu echter gaan ze gevoelen, dat het vreselijk is te vallen in de handen van de levende God. Zij gaan enigermate de verschrikking van de hel gevoelen. Ze krijgen er een blijvende indruk van, dat God op hen toornt en zij voor eeuwig zonder hoop in de hel zullen storten:”De zondaren te Sion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen. Zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan; wie is er onder ons, die bij een eeuwige gloed wonen kan?” Jes. 33:14.

Andere zondaren horen van de hel spreken, maar overtuigde zondaren hebben als het ware vaak de hel voor ogen. Dat ze de vreselijkheid van hun ellende gevoelen is de oorzaak, dat hun gedachten er vaak mee vervuld zijn. Het schijnt of ze de hel geopend zien, of ze God zien, die in onverzoenlijke toorn op hen aan zal vallen en of ze het geroep van hen, die verloren liggen, horen.

b. Zulke zondaren gevoelen enigermate hoe er verband bestaat tussen hun zonde en die toorn en hoe hun zonde en schuld hen aan die toorn blootstelt. Ze hebben daar zulke vreselijke bevattingen van, dat de vrees hen aangrijpt en ze verwachten, dat dit hun deel zal worden. Ze gevoelen dat zij vanwege de zonde in een ellendige en droevige toestand verkeren.

De Heilige Schrift bewijst het in veel gevallen, dat dit Gods wijze van handelen is. Wat daaromtrent van onze eerste ouders verhaald wordt, bevestigt dit.

Zij gevoelden zich schuldig en zagen hun gevaar, vóórdat Christus aan hen geopenbaard werd. Zij waren schuldig en vreesden Gods toorn; daarom vluchtten zij en verborgen zich, toen zij hoorden dat God tot hen naderde.

Het is ongetwijfeld, dat hun gevoel van schuld en vrees, toen ze voor God gebracht werden en rekenschap moesten afleggen toen God hen vroeg wat zij gedaan hadden en of ze van de boom gegeten hadden, wat Hij hen verboden had, de weg opende om Gods genade te openbaren. God deed hen hun schuld en gevaar voelen, vóórdat Hij hun het verbond der genade openbaarde. En het is waarschijnlijk, dat, toen zij God hoorden spreken van het zaad der vrouw, dat de kop van de slang zou vermorzelen, het geloof in hen gewerkt werd en dat de openbaring van Gods genadig voornemen jegens hen een middel werd om hun ware troost en hoop te geven.

Zo werden Jozefs broeders in grote nood gebracht en vreesden voor hun leven, vóórdat Jozef zich aan hen bekendmaakte. Zo werden zij, die door de prediking van Petrus bekeerd werden, eerst in hun hart verslagen of doorstoken door een gevoel van hun schuld en gevaar, Hand. 2:37.

Zo werd Paulus zeer bevende en verbaasd en at en dronk en zag niet gedurende drie dagen, vóórdat hij uit de banden verlost werd.

De stokbewaarder geraakte in grote nood, eiste licht, sprong zeer bevende in en viel neder aan de voeten van Paulus en Silas, vóórdat hij tot het geloof gebracht werd.

De stokbewaarder geraakte in grote nood, eiste licht, sprong zeer bevende in en viel neder aan de voeten van Paulus en Silas, vóórdat hij tot het geloof gebracht werd.

Christus nodigt in het bijzonder hen, die vermoeid en belast zijn, hetgeen ongetwijfeld ook gold voor hen, die door een gevoel van schuld en gevaar vermoeid en belast waren.

We lezen, dat tot David, toen hij in de spelonk was, vergaderden alle man, die benauwd was en alle man, die een schuldeiser had en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was, 1 Sam. 22:1.

Dit was ongetwijfeld een afschaduwing van Jezus Christus en van hen, die in benauwdheid, schuld en droefheid tot Hem vluchtten. Dat vluchten geeft te kennen, dat zij zich van een gevaar bewust waren en hun vrees gaf hun voeten vleugelen:”De Naam des HEEREN is een sterke toren”, Spreuken 18:10.

De stem Gods is voor een zondaar, aan wie Hij ware troost geeft, een stille stem. Die stem werd echter voorafgegaan door een grote en sterke wind, door een aardbeving en door een vuur, zoals bij Horeb:”En zie, de HEERE ging voorbij en een grote en sterke wind, scheurende de bergen en brekende de steenrotsen voor de HEERE heen; doch de HEERE was in de wind niet; en na deze wind een aardbeving: de HEERE was ook in de aardbeving niet; en na de aardbeving een vuur: de HEERE was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte”, 1 Kon. 19:11 en 12.

Een andere zaak in de Heilige Schrift, die dit schijnt te bevestigen is de gedurige vergelijking, die gemaakt wordt tussen de Kerk, die Christus geestelijk voortbrengt en een vrouw, die in barensnood is en in pijn om te baren, Joh. 16:21 en Openb. 12:2.  

De bekering van een zondaar wordt met dezelfde zaak vergeleken. Ze is de geboorte van Christus in het hart. Paulus noemt het zo in Gal. 4:19. En Christus noemt de ware gelovigen Zijn moeder:”En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zeide Hij: Zie Mijn moeder en Mijn broeders. Want zo wie de wil Mijns Vaders doet, Die in de hemelen is, die is Mijn broeder en zuster en moeder, Matth. 12:49 en 50.

 

3. Ze worden er zich ook van bewust, dat hun zonden de toorn van God, waaronder ze liggen, verdienen.

Ze gevoelen niet alleen hoe vreselijk het is in de handen van de levende God te vallen en Zijn gramschap te moeten dragen. Ze zien niet alleen het verband tussen hun zonden en deze toorn en hoe hun zonden hen eraan blootstelt, maar God laat hen ook gewoonlijk zien, dat hun zonden Zijn toorn verdienen. Als ze het verband tussen hun zonde en Gods toorn helder zien, gevoelen ze hun gevaar voor de hel. Velen, die dit enigermate gevoelen, zijn er totaal ongevoelig voor dat ze de hel verdienen. De bedreigingen van de wet doen hen werkelijk vrezen, dat God hun zonden zal straffen, maar toch erkennen zij niet grondig, dat zij die straf rechtvaardig verdienen en daarom murmureren velen, die bevreesd zijn, tegen God. Zij beschuldigen Hem in hun dwaasheid ervan, dat Hij hard en wreed is. Het is echter Gods wijze van handelen, vóórdat Hij tot zondaren van vrede spreekt en Zijn verlossende liefde en genade in Jezus Christus aan hen openbaart, dat Hij ze tot de erkenning brengt, dat zij Zijn toorn en straf waardig zijn.

In Matth. 18:23-27 valt de dienstknecht, die zijn heer tienduizend talenten schuldig is, voor hem neder, aanbad hem en zeide: Heere, wees lankmoedig over mij en ik zal u alles betalen. Toen werd de heer van die dienstknecht met barmhartigheid innerlijk bewogen en schold hem de schuld kwijt.

Als de zondaren eerst hun schuld en gevaar gevoelen, staan ze op tegen God en Zijn handelingen en is hun hart vol murmureringen

Maar vóórdat God Zijn genade en liefde aan hen openbaart, stopt Hij hun de mond, doet hen hun schuld erkennen en zich aan hun verdiende straf onderwerpen:”Wij nu weten, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem, want door de wet is de kennis der zonde”, Rom. 3:19, 20. Een mens is zich zijn schuld niet grondig bewust, als hij niet tot de erkenning komt, dat hij de hel verdient, en áls hij zich des doods waardig keurt, zal God hem van de verdoemenis vrijspreken. 

Een gevoel van schuld bestaat uit twee zaken: uit een gevoel van zonde en uit een gevoel van de betrekking, die de zonde tot de straf heeft. Welnu, de betrekking, die de zonde tot de straf heeft, is ook tweevoudig: allereerst de samenhang, die de zonde heeft met de straf, waaraan ze onderwerpt en voorts de rechtvaardigheid van de straf. Als nu een mens waarlijk overtuigd is, dat hij de straf, waaraan zijn zonden hem blootstelt, verdient, dan is hij grondig overtuigt van zijn schuld, zoals onze tekst en Rom. 3:19 en 20 dat bedoelen.

 

Vraag 1

 

Hoe komt de zondaar tot de erkenning dat hij Gods toorn verdient?

 

Een natuurlijk mens kan dit ook erkennen, maar niet zoals iemand dit na zijn bekering erkent, want een natuurlijk mens kan geen waar gezicht van de zonde en haar kwaad hebben. Een mens ziet het kwaad der zonde tegen God in het rechte licht, als hij God ziet in Zijn heerlijkheid en uitnemendheid en dan zal hij gevoelen, welk een groot kwaad het is tegen God te zondigen. Toch valt het niet te ontkennen, dat de natuurlijke mens overtuiging kan hebben dat hij de hel verdient, ook al heeft hij Gods heerlijkheid niet gezien.

De consciëntie der goddelozen zal ook overtuigd worden van de rechtvaardigheid van hun vonnis en van de straf in de dag des oordeels. Hun consciëntie zal ongetwijfeld het vonnis van de Rechter bevestigen en hen tot dezelfde straf veroordelen.

Wij zullen ten eerste aanwijzen uit welk beginsel deze overtuiging voortkomt, ten tweede hoe dit beginsel werkt en ten derde door welke uitwendige middelen de natuurlijke mens erkent dat hij de hel verdient.

 

1. Welk beginsel in de mens overtuigt de natuurlijke mens dat hij de eeuwige straf verdient?

Hij heeft daartoe geen nieuw beginsel in zich ontvangen. Natuurlijke mensen hebben alleen natuurlijke beginselen en daarom is alles, wat door de Geest van God vóór de wedergeboorte gedaan is, een bearbeiding van de natuuurlijke beginselen. Tot opheldering hiervan zeggen we: Het beginsel dat de mens doet gevoelen dat hij Gods toorn verdient, is de natuurlijke consciëntie.

Al heeft de mens een beginsel van liefde tot God en alle geestelijke beginselen door de val verloren, toch heeft hij zijn natuurlijke consciëntie behouden. Nu bestaat het eigenlijke werk van de natuurlijke consciëntie uit twee zaken.

Allereerst geeft ze de mens een indruk van goed en kwaad. Een natuurlijke mens ziet niet de schoonheid en lieflijkheid van het goede, of de schandelijkheid en afschuwelijkheid van de zonde. Ieder mens heeft echter van nature datgene in zich, dat hem getuigt dat sommige dingen goed en andere dingen verkeerd zijn.

Als een mens steelt of een moord begaat, getuigt zijn consciëntie dat hij verkeerd gedaan heeft. Zelfs de heidenen, die de wet niet hebben, doen van nature de dingen die der wet zijn. Hun geweten getuigt mede en de gedachten onder elkaar beschuldigen of ook onschuldigen hen. Ze betonen dat het werk der wet in hun hart geschreven is, Rom. 2:14 en 15.

Het andere werk van de natuurlijke consciëntie is dat ze de verhouding openbaart, die er bestaat tussen goed en kwaad en de beloning en vergelding daarvan. Als een mens iets gedaan heeft, waarvan zijn consciëntie getuigt dat het verkeerd is, dan getuigt zijn consciëntie ook dat hij daarvoor straf verdient. 

Zo heeft de natuurlijke consciëntie een tweevoudige macht: Ze onderwijst en beschuldigt en ze veroordeelt. Daarom steunt of bewerkt de Geest van God de natuurlijke consciëntie, waardoor ze dat werk grondiger doet en zo de mens van zonde overtuigt. De consciëntie getuigt van nature dat een mens, die zondigt, straf verdient en als Gods Geest dit getuigenis verdiept, wordt de mens overtuigd, dat hij eeuwige straf verdient. Nu wordt de consciëntie door de zonde zeer gehinderd haar werk te doen. Sedert de val bleef de mens zijn verstand behouden, maar dit is geheel gekrenkt en verblind. En zo stompt de zonde alles wat de mens eens volmaakt bezat, ook de consciëntie, af en belet haar haar werk te doen.

Als God nu een zondaar overtuigt, steunt Hij de consciëntie tegen die afstomping van de zonde, zodat ze haar werk vrijer en volkomener doet. De Geest van God werkt onmiddellijk op de consciëntie, zodat deze ontwaakt, gaat overtuigen, bestraffen en veroordelen. 

 

 

Vraag 2 

Hoe bewerkt God de natuurlijke consciëntie zo, dat de zondaar ervan overtuigd wordt dat hij de hel verdient?

a. In het algemeen door licht.

Het gehele werk van God wordt in het hart van de mens vanaf zijn eerste overtuigingen tot aan zijn bekering door ontdekkend licht gewrocht. Het licht, dat de evangelische vernedering werkt en de mens de hatelijke en afschuwelijke natuur der zonde doet zien, is een openbaring van Gods heerlijkheid, uitnemendheid en genade. 

Maar wat ziet de natuurlijke mens van God, dat hem doet gevoelen dat de zonde tegen God Zijn toorn en wraak verdient, want de natuurlijke mens ziet niets van de uitnemendheid en lieflijkheid van Gods genade en heerlijkheid?

b. Het schijnt de openbaring van Gods vreselijke grootheid te zijn. 

De natuurlijke mens kan in God niets zien, wat hem God doet liefhebben, maar hij kan in God wel zien, wat hem verschrikt.

 

De goddelozen in de hel zien Gods lieflijkheid en genade niet, maar wel Gods vreselijke majesteit en dat doet hen gevoelen hoe afschuwelijk hun zonden geweest zijn, hun consciëntie getuigt dat. Nu, zo kunnen de goddelozen op dezelfde wijze in deze wereld de afschuwelijkheid van de zonde gevoelen, omdat ze hier eveneens iets van Gods vreselijke majesteit kunnen zien. En zo kan de goddeloze ook overtuigd worden dat hij de hel verdient. Dit blijkt hieruit, dat de openbaring van Gods vreselijke majesteit in de dag des oordeels het middel is, waardoor de goddelozen de rechtvaardigheid van hun eeuwige straf moeten erkennen. Ze zullen dan zoveel zien van de vreselijke grootheid van God, hun Rechter, dat hun consciëntie hen ervan overtuigt, dat ze vanwege hun ongehoorzaamheid en verachting van God Zijn eeuwige toorn verdienen. Dit nu bewijst dat een goddeloze hier de donder van de Sinaï kan horen en het verslindende vuur kan zien en zo overtuigd wordt. Dit leidt me ertoe, erop te wijzen

 

c. dat het voornaamste uitwendige middel, dat de Geest van God gebruikt om de mens ervan te overtuigen dat hij de hel waardig is, de wet is.

De Geest van God werkt in al Zijn daden in de ziel der mensen door Zijn Woord. En in dit gehele werk van de overtuiging van zonde gebruikt Hij voornamelijk de wet. De wet doet de mens zijn zonde gevoelen. Het is de wet met haar vreselijke bedreigingen en vloeken, die de zondaar de vreselijke grootheid, het gezag, de macht en de ijver van God voor ogen stelt. De goddelozen zien de ontzaglijke majesteit van God als het ware op dezelfde manier als de kinderen Israëls, namelijk door de donderen en de bliksemen en het geluid der bazuin en de rokende berg Sinaï. Al het volk beefde en zei:”Dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven.”

Dus door de wet ontwaakt de natuurlijke consciëntie, Gal. 3:24:”Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus”. Door de wet ziet de mens zijn schuld en wordt zijn mond gestopt, Rom. 3:19. De wet doodt de mens, zodat hij niet meer op zijn eigen gerechtigheid vertrouwt:”Zonder de wet, zo leefde ik eertijds, maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven”, Rom. 7:9. “Want ik ben door de wet der wet gestorven”, Gal. 2:19. De overtuiging, die aan de bekering voorafgaat, betreft de zonde en de ellende.

De mens is echter niet grondig van zijn zonde en schuld overtuigd, als hij niet erkent, dat hij de hel verdient en hij is niet grondig van zijn ellende overtuigd, als hij niet gevoelt hoe hulpeloos en machteloos hij is.

d. Daarom doet God de mens ook gevoelen dat hij in eigen kracht niets kan doen. Als zondaren in de aanvang hun gevaar voor de hel gaan zien, gaan ze proberen zich door hun eigen kracht te redden. Ze gaan proberen zich te verbeteren, zich te bekeren, hun hart gelovig te maken en zaligmakend op Christus te vertrouwen, dus om hun eigen verlossing uit te werken.

Daar ze gehoord hebben, dat zij, zullen zij ooit geloven, hun vertrouwen op Christus moeten stellen tot zaligheid en in Hem alleen, denken ze dat ze op Christus willen vertrouwen en hun ziel op Hem kunnen werpen en zij trachten dit in eigen kracht te doen. Dit komt veel voor bij zondaren, die op een ziekbed liggen en bang zijn dat ze zullen sterven en naar de hel zullen gaan. Als hun gezegd wordt dat zij tot zaligheid hun vertrouwen op Christus alleen moeten stellen, proberen zij dit in eigen kracht te doen. Ook zullen zondaren door een gevoel van ongenoegzaamheid in zichzelf trachten hun eigen hart op te wekken om God lief te hebben, Hem tot hun deel te kiezen en zich te bekeren. Of zij trachten zich te verbeteren, opdat God dan gewilliger zal worden om hen te bekeren, hun Zijn genade te geven en hen in staat te stellen in Christus te geloven, God lief te hebben en hun zonden te verlaten. Vóórdat God echter tot hun hulp en verlossing verschijnt, doet Hij hen eerst gevoelen, dat zij in zichzelf totaal machteloos en hulpeloos zijn. Ze gaan eraan wanhopen dat ze zichzelf ooit zullen kunnen helpen. Het gebod dat ten leven was, dat wordt hen ten dood bevonden. Al hun hoop vergaat. Vóórdat God de gevangenisdeuren opent, doet Hij hen zien dat ze opgesloten zitten en er geen weg der ontkoming is.

 

Christus zegt ons in Jes. 61:1 dat Hij gezonden was om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening der gevangenis. Christus werd gezonden om voor hen, die niet alleen werkelijk gebonden waren maar zich ook bewust gebonden gevoelden, de gevangenis te openen:”Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden”, Gal. 3:23.

God doet een zondaar gevoelen dat hij verloren ligt, ellendig, jammerlijk, blind en naakt is, vóórdat Hij hem troost. Christus zegt tot ons in Joh. 9:39:”Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen die niet zien, zien mogen en die zien, blind worden. Hij bedoelt met hen, die zien, degenen die menen te zien, zoals de Farizeeën, die trots op hun verstandskennis waren, en met hen die blind zijn, degenen die zich hun blindheid bewust zijn en erkennen. Zo werd Paulus blind, totdat Ananias tot hem kwam, hem de hand oplegde, waardoor hij wederom ziende werd. Zo handelt God, vóórdat Hij in de bekering de ogen der mensen opent. Hij doet hen gevoelen dat zij blind zijn.

 

God doet de zondaren op de volgende manier wanhopen aan hun eigen kracht:

 

1. Vaak gebruikt God de eigen ondervinding der zondaren om hen van hun machteloosheid te overtuigen.

Als zij de verlossing beginnen te zoeken, denken ze dat het niet moeilijk is bekeerd te worden.

Ze denken dat ze zich spoedig van de zonde zullen afkeren en in Christus zullen geloven. En daarom gaan ze in eigen kracht strijden met hoop op voorspoed. Ze worden echter teleurgesteld. Daarom laat God hen worstelen, als ze proberen zelf hun ogen te openen en hun hart te verbeteren.

Toch blijven ze even blind als tevoren, ze kunnen niets zien. Het is alles Egyptische duisternis. Ze willen zich verbeteren, maar ze worden al slechter. Ze willen veel goeds gaan doen en liefde tot God opwekken, maar het is tevergeefs. Het lijkt wel of hun hart steeds meer met goddeloze gedachten vervuld wordt en ze bespeuren niets van wat op bekering lijkt. Zo laat God hen in eigen kracht voortgaan, totdat ze ontmoedigd gaan neerzitten en aan eigen hulp gaan wanhopen. De verloren zoon wilde eerst zijn buik nog vullen met de draf der zwijnen. Als niemand hem die geeft, komt hij tot zichzelf en gaat erover denken om naar zijn vader terug te keren.

 

2. Soms laat God, door het verstand te verlichten, de zondaar zoveel van de verdorvenheid van zijn hart zien, dat hij er reeds dadelijk aan gaat wanhopen om zichzelf te helpen. 

Die zondaar kan het reeds direct niet meer in eigen kracht proberen. Dit is het geval bij een plotselinge bekering, waarvan de voorbeelden niet weinig zijn.

 

God laat hen dan dadelijk zien, dat ze zo ver van geloof in en liefde tot God verwijderd zijn en elke genade en het minste geestelijke licht zodanig missen, dat ze er terstond aan wanhopen om ooit uit zichzelf daartoe te geraken. Ze ontdekken in hun ziel niets dan duisternis. Hun ziel is de duisternis zelf, als de schaduw des doods, en zij kunnen geen licht daarin scheppen. Ze gevoelen dat ze dood zijn tot enig goed en wanhopen eraan om ooit iets goed te kunnen doen.

 

Zo zien we dat het Gods gewone weg is om, vóórdat Hij Zijn verlossende genade aan de ziel openbaart, de zondaar zijn zondigheid en gevaar, zijn rechtvaardig verdiende straf en zijn uiterste hulpeloosheid en machteloosheid in zichzelf te doen gevoelen.

Dit komt overéén met de Heilige Schrift en dit is Gods wijze van handelen. Zo spreekt Christus van het werk van de Heilige Geest. Deze zal de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel, Joh. 16:8.

Eerst overtuigt Hij van zonde, vóórdat Hij van gerechtigheid overtuigt.

Nu zal ik de redenen noemen, waarom zo’n weg een gepaste en juiste weg is. Ze komt volkomen overeen met de goddelijke wijsheid. Een mens die bekeerd wordt, bevindt zich achtereenvolgens in twee totaal verschillende staten. Eerst in een zeer ellendige staat van veroordeling en daarna in een gezegende staat van rechtvaardigmaking. Hoe betamelijk is het daarom voor de goddelijke wijsheid, dat die mens zich eerst zijn ellendige, veroordeelde staat bewust wordt en daarna zijn zalige staat – dat hij zich eerst wezenlijk schuldig voelt en erkent dat hij de hel verdient, eer hij wezenlijk vergeving ontvangt en Gods gunst deelachtig wordt. Dit zal nog duidelijker blijken, als we op het volgende letten:

1. Het is de wil van God dat de openbaring van Zijn vreselijke majesteit, vlekkeloze heiligheid en strikte rechtvaardigheid aan de openbaring van Zijn genade en liefde voorafgaat. Zo ontvangen Zijn schepselen waardige en juiste bevattingen van God.

Het is de heerlijkheid van God dat deze volmaaktheden in Zijn goddelijke natuur één zijn, in volmaakte harmonie met elkaar. Zoals Hij oneindig is in Zijn barmhartigheid, liefde en genade, zo is Hij ook oneindig in Zijn vreselijke majesteit, vlekkeloze heiligheid en strikte rechtvaardigheid.

De volmaakte harmonieuze vereniging van deze volmaaktheden in de goddelijke natuur maakt juist hun heerlijkheid uit. Gods ontzaglijke en vreselijke deugden en Zijn lieflijke en vriendelijke deugden verheerlijken elkaar en de werking van de eerste geschiedt in volkomen harmonie met die van de laatste. Als Gods liefde, barmhartigheid en genade in strijd waren met Zijn rechtvaardigheid, gezag en oneindige haat tegen de zonde, dan zou dat God onteren. Het is juist Zijn eer, dat Zijn genade en liefde in harmonie zijn met Zijn rechtvaardigheid en de eer van Zijn majesteit. Daarom wil God zich verheerlijken door al Zijn volmaaktheden te openbaren.

 

Als men alleen op Gods liefde ziet zonder op Zijn andere volmaaktheden acht te geven, krijgt men onwaardige en ongepaste bevattingen van God. Hij zou dan de zondaar genade bewijzen op een manier die voor Hem, een Wezen van oneindige majesteit en vol haat tegen de zonde, een oneer zou zijn. 

Ook zou de zondaar niet alleen onwaardige gedachten van God koesteren, maar hij zou zich in sommige opzichten ook onbehoorlijk jegens God gedragen. Openbaring van Gods liefde zonder openbaring van Zijn geduchte majesteit doet de ziel met ongepaste stoutmoedigheid en vermetelheid tot God naderen. De aard en het doel van het evangelie openbaren dat dit de wil van God is, dat zij, die Zijn liefde leren kennen, ook Zijn andere volmaaktheden leren kennen.

Dit was juist het doel van Christus’ komst in de wereld en van Zijn sterven. Hij kwam om de eer van Gods heiligheid, rechtvaardigheid en gezag in overeenstemming te brengen met Zijn liefde en genade in het vergeven en rechtvaardigen van zondaren, opdat deze God in al Zijn deugden zouden eren.

Aangezien dit dus het doel van Christus’ komst in de wereld was, kunnen we daaruit besluiten, dat zij, die werkelijk door Christus verlost zijn en aan wie Christus Zich waarlijk geopenbaard heeft, Gods vreselijke majesteit en rechtvaardigheid hebben leren kennen, voordat Hij Zijn liefde en genade openbaarde. God heeft vanouds, vóórdat het lijden en de dood van Christus voleindigd waren, er steeds voor gezorgd, dat in de offeranden Zijn rechtvaardigheid en genade beide geopenbaard werden, opdat Israël niet zou denken, dat Gods genade in het vergeven van de zonde geschonken kon worden, zonder dat de eer van Zijn rechtvaardigheid gehandhaafd bleef.

Als God Zijn Naam uitriep voor Mozes, riep Hij:”HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid, Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft…”.

Maar hier houdt Hij niet op, maar roept ook Zijn heilige rechtvaardigheid en wraak uit:”Die de schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen en aan de kindskinderen in het derde en vierde lid”, Ex. 34:6 en 7.

Dit vinden we ook in het tweede gebod:”Want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en vierde lid dergenen, die Mij haten, en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.”

En zo vinden wij ze in ontelbare Schriftgedeelten samengevoegd.

Zelfs in de hemel, waar Zijn liefde en genade volmaakt genoten wordt, aanschouwen zij Gods toorn en rechtvaardig en waarachtig oordeel over degenen, die in de rampzaligheid liggen, Openb. 18:20 en 19:2 en 3.

Zelfs Christus Jezus ging eerst onder de toorn Gods door, vóórdat Hij voor eeuwig verhoogd werd tot de volkomen genieting van de liefde Zijns vaders.

 

2. Een andere reden, waarom de zondaar eerst van zijn zonde en ellende overtuigd wordt, vóórdat hij Gods verlossende liefde en genade leert kennen, is dat hij die liefde en genade anders niet zou kennen zoals ze waarlijk is, namelijk vrij en soeverein. En dat wil God.

Gods genade en liefde jegens zondaren is in zichzelf wonderlijk, want ze verlost van Zijn eeuwige toorn. Dit nu zal de zondaar niet recht verstaan, als hij niet in enige evenredige mate heeft leren kennen hoe vreselijk de toorn van God is.

Gods verlossende genade en liefde in Christus is vrij en soeverein, want in hen, die ze leren kennen, is geen enkele waardigheid. Nu kan niemand dit verstaan en erkennen, als hij zich zijn onwaardigheid niet volkomen bewust is. Daarenboven is de genade van God in Christus niet alleen wonderlijk en heerlijk, omdat ze aan onwaardigen geschonken wordt, maar ook aan hen, die de eeuwige toorn van God verdiend hebben.

En dit leren ze alleen verstaan, als zij ervan overtuigd zijn, dat zij Gods eeuwige toorn verdiend hebben.

De genade van God in Christus is wonderlijk, omdat ze zoveel en zo grote zonden vergeeft en van de eeuwige straf, die ze verdienen, verlost.

Welnu, zondaren kunnen dit niet verstaan, als ze niet enigermate hun zondigheid leren kennen en als ze de zonden van hun leven en de goddeloosheid van hun hart niet leren zien. Het is de heerlijkheid van Gods genade in Christus, dat ze zo vrij en soeverein is. En het is ongetwijfeld de wil van God, dat Zijn genade, aan de ziel bewezen, in haar eigenlijke heerlijkheid gezien wordt, al is dat geen volmaakt gezicht.

Als men de heerlijkheid van Gods genade recht ziet, dan komt men tot de erkenning, dat ze vrij en onverdiend is, en tegengesteld aan de verdienste der zonde.

Allen, die geestelijke kennis van de genade Gods in Christus hebben, zien tevens de heerlijkheid van die genade.

De heerlijkheid van de goddelijke genade blijkt echter vooral daarin, dat ze aan de zondaar bewezen wordt, wanneer hij in een alleszins ellendige en nooddruftige toestand verkeert.

Zal een zondaar daarom deze heerlijkheid zien, dan moet hij eerst weten hoe groot zijn zonden en ellenden zijn en dan hoe groot de goddelijke genade daartegenover is. Het hart van de mens kan de genade van God in Christus niet als vrij en onverdient ontvangen, als hij niet gevoelt, dat hij het tegengestelde verdiend heeft.

Daarom moet hij eerst zijn zonden en ellenden kennen, vóórdat hij de genade van God kan zien, want die genade verlost hem juist van die zonden en ellenden.

 

3. Zolang de zondaar niet van zijn zonde en ellende overtuigd is, kan hij de verlossende genade en barmhartigheid Gods door een Middelaar niet ontvangen en aannemen, want, als hij zijn zonde en ellende niet ziet en gevoelt, ziet en gevoelt hij ook niet hoezeer hij een Middelaar nodig heeft. Als er van Gods zijde aan zondaren absolute en rechtstreekse genade zonder enige verwerving of voldoening geschonken kon worden, dan zou de ziel dat wellicht zonder overtuiging van haar zonde en ellende kunnen zien. Maar zo’n genade is er niet. Al Gods genade jegens zondaars komt door een Zaligmaker. De verlossende genade en barmhartigheid van God is genade en barmhartigheid in Christus. En als God Zijn genade aan de ziel openbaart, zal Hij ze openbaren als genade in een Zaligmaker. Het is Zijn wil dat de genade in en door een Zaligmaker zo ontvangen zal worden, dat de zondaar zich volkomen ervan bewust is, dat die genade hem door Christus’ voldoening en gerechtigheid geschonken is.

Het is de wil van God – daar al de geestelijke vertroostingen, die Zijn volk ontvangt in en door Christus zijn – dat zij ook weten, dat zij die door Christus ontvangen en dat zij die langs geen andere weg kunnen ontvangen. Het is de wil van God, dat Zijn volk de ogen op Christus gevestigd houdt en voor genade en gunst van Hem geheel afhankelijk zal zijn; zodat zij, wanneer zij ook door Zijn verwerving troost ontvangen, het als van Hém ontvangen. Omdat God Zijn Zoon als Middelaar wilde verheerlijken en de eer van ’s mensen verlossing aan Christus toekomt, zo is het de wil van God, dat heel het volk van Christus, allen die door Hem verlost zijn, hun verlossing als van Hem zullen ontvangen en aan Hem de eer van die verlossing zullen geven. Ook wil God dat niemand de weldaden der verlossing zal ontvangen, die de eer van de verlossing niet aan Christus wil geven.

Om deze reden is het Gods wil en is het absoluut noodzakelijk, dat de zondaar van zijn zonde, ellende en hulpeloosheid in zichzelf overtuigd wordt, vóórdat Zijn verlossende liefde en genade aan hem geopenbaard wordt.

Hierdoor worden ook twee andere doeleinden bereikt.

 

 

 

(wordt vervolgd)