Gevangen

Gevangen…
 
(Vertaling van: “The Redeemed Captive Returning to Zion” door John Williams, minister of the Gospel in Deerfield, 1709.)

Op dinsdag 29 februari 1704, niet lang voor het aanbreken van de dag, kwam de vijand als een vloed over ons, doordat onze wacht niet getrouw was. De verrassing van ons fort was een kwaad met vreselijke gevolgen. Alle wachters zouden zich moeten verzekeren zoiets te voorkomen, wanneer zij geen bloedlast op zich willen laden.
De vijand kwam mijn huis binnen in het begin van de aanval. Door hun heftige pogingen de deuren en ramen met bijlen open te breken werd ik wakker. Ik sprong uit bed en toen ik naar de deur rende, zag ik dat de vijand zich een toegang verschafte tot mijn huis. Ik gaf een schreeuw om de twee soldaten in de kamer wakker te maken, en toen ik terugkeerde naar mijn bed om mijn wapens te pakken, braken de vijanden onmiddelijk naar binnen. Het waren naar schatting twintig man, ze hadden beschilderde gezichten, en slaakten afschuwelijke kreten. Ik strekte mijn handen uit naar de baldakijn van mijn ledikant om mijn pistool te pakken. Ondertussen sprak ik een kort smeekgebed uit tot God om eeuwige genade voor mijzelf en voor de mijnen, om der verdiensten wil van onze verheerlijkte Verlosser. Ik verwachtte dat ik spoedig het dal van de schaduw des doods zou doorgaan, en ik sprak in mijzelf als in Jes. 38:10,11:”Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren. Ik zeide: Ik zal den HEERE niet meer zien, den HEERE, in het land der levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld.” Ik pakte mijn pistool, spande het, en zette het op de borst van de eerste Indiaan die tevoorschijn kwam. Maar mijn pistool weigerde. Ik werd door drie Indianen gegrepen, ze ontwapenden mij en bonden mij vast. Behalve mijn hemd had ik niets aan. En zo ging er bijna een uur voorbij. Terwijl zij mij vastbonden, vertelden zij mij dat zij mij naar Quebeck zouden brengen. Het weigeren van mijn pistool was een reden dat mijn leven werd gespaard. Ook weet ik vanaf toen dat het heilzaam is wanneer mijn eigen wil doorkruist wordt. Over een van de drie mannen die mij gevangen namen, een kapitein, bleef Gods oordeel niet lang sluimeren. Bij het opgaan van de zon werd hij dodelijk getroffen door een schot, dat vanuit het huis van mijn naaste buren was afgevuurd. Zij boden daar tegenstand aan een groep van driehonderd Fransen en Indianen, terwijl ze zelf met slechts zeven man waren in een huis zonder bezetting.
Ik kan niet verhalen hoe ik werd benauwd door zorg om mijn geliefde vrouw, mijn arme kinderen, mijn familie en mijn christelijke buren. De vijand begon het huis te plunderen, en ging in grote aantallen alle vertrekken binnen. Ik smeekte God of Hij ons genadig wilde zijn in het midden van het oordeel; of Hij hun toorn zo zou beteugelen dat zij ons niet zouden vermoorden; en of we genade mochten ontvangen om Zijn Naam te verheerlijken, hetzij in leven of dood; en, voorzover ik daartoe in staat was, vertrouwde ik onze toestand aan God toe. De vijanden, die ons huis waren binnengedrongen, waren allemaal Indianen en Mohikanen. Ze waren even door mij beledigd en hielden de strijdbijlen boven mijn hoofd, en dreigden dat zij alles wat ik bezat, zouden verbranden. Maar boven onze verwachting zorgde God dat zij medelijden met ons hadden, want hoewel sommigen zo wreed en barbaars waren dat ze twee van mijn kinderen meenamen naar de deur en hen vermoordden, evenals een negerin, gaven ze mij toch de vrijheid om mij aan te kleden. Hierbij hielden zij mij gebonden met een touw aan mijn ene arm, totdat ik mijn kleren bij elkaar had gepakt.

 

Toen maakten zij het touw los, zodat ik mij kon aankleden, en daarna bonden zij mij opnieuw vast. Zij gaven mijn geliefde vrouw en onze overige kinderen ook de vrijheid zich aan te kleden. Toen de zon ongeveer een uur hoog stond, werden we allen het huis uit gevoerd om op reis te gaan, en we zagen veel huizen in vlammen staan. We merkten dat op een enkel huis na de gehele vesting veroverd was.
Wie kan zeggen hoe het verdriet onze zielen pijnigde, toen we zagen hoe we van Gods heiligdom werden weggevoerd naar een vreemd land. We zouden aan vele beproevingen worden blootgesteld. De afstand die we moesten afleggen was minstens driehonderd mijl, waarbij de sneeuw tot onze knieën kwam. We waren helemaal niet gewend aan zulke ontberingen en vermoeienissen. Bovendien was de plaats, waar ze ons heenvoerden, een Rooms land. 
Toen ik de stad had achtergelaten, staken ze mijn huis en schuur in brand. We werden de rivier overgevoerd en naar de voet van een berg gebracht, ongeveer een mijl van mijn huis vandaan. Daar zagen we velen van onze christelijke stadsgenoten, mannen, vrouwen en kinderen, tot honderd toe. Negentien van hen zouden later tijdens de reis vermoord worden, en twee zouden bij Cowass de hongerdood sterven, toen er een grote schaarste was. Toen we bij de voet van de berg waren aangekomen, namen ze onze schoenen af en gaven ons in de plaats daarvan Indianenschoenen als voorbereiding op onze reis. Tijdens ons verblijf daar verjoegen de Engelsen een compagnie die zich in de stad ophield. Zij achtervolgden hen tot aan de rivier, waarbij ze velen van hen doodden of verwondden. Nadat echter het legerkorps was gewaarschuwd, werd die kleine groep Engelsen teruggedreven. 
Ik ben niet in staat u verslag uit te brengen van het aantal mannen dat aan de kant van de vijand gedood werd. Ik merkte echter na dit gevecht geen grote, beledigende vrolijkheid op, zoals ik verwacht had. Ook zag ik vele gewonden, en gedurende verscheidene dagen begroef de vijand doden van hun partij. Eén van hen was een man die onder de Mohikanen een groot aanzien had genoten. De gouverneur van Canada vertelde me, dat zijn leger slechts elf man verloren had: drie Fransen, waaronder de luitenant van het leger, vijf Mohikanen en drie Indianen. Maar na mijn aankomst in Quebeck sprak ik met een Engelsman die in de laatste oorlog was meegevoerd over deze zaak en over hun godsdienst. Hij vertelde mij dat de vijand meer dan veertig man verloren had en er ook velen gewond waren. Ik antwoordde:”De gouverneur van Canada zei dat ze slechts elf man verloren hadden.” Hij antwoordde:”Het is waar dat er slechts elf man zijn gedood bij de verovering van de vesting, maar vele anderen zijn gewond geraakt, waaronder de Franse vaandeldrager. Het kwam ook in het veld tot een treffen,” vervolgde hij.”Bij elkaar verloren zij meer dan veertig man. Enkele soldaten, zowel Franse als Indiaanse, vertelden mij dit,” zei hij, en hij voegde eraan toe dat de Fransen altijd proberen het aantal doden van hun kant geheim te houden.
Hierna gingen we de berg op, en we zagen de rook van het vuur in de stad, en we aanschouwden de afschuwelijke verwoesting van Deerfield. En voor we verder reisden, doodde de vijand de zuigeling van een Engelse vrouw. Door de vijand van de inwoners van Deerfield werden er tot achtendertig toe gedood, en bovendien negen van de naburige steden.
We reisden niet ver de eerste dag. God zorgde ervoor dat de heidenen medelijden hadden met onze kinderen. Hoewel zij zelf verscheidene gewonden hadden die zij over een afstand van dertig mijl op hun schouders moesten meedragen, voor ze bij de rivier aankwamen, droegen ze toch onze kinderen die zelf niet konden lopen in hun armen en op hun schouders. Toen we aankwamen bij onze verblijfplaats voor de eerste nacht, groeven zij de sneeuw weg en maakten enkele wigwams. Ook hakten ze wat kleine takken van een spar om daarop te kunnen liggen. Ze gaven de gevangenen iets te eten, maar we hadden maar weinig trek. Ik werd voor de nacht vastgebonden, en dit zou iedere nacht gebeuren, zolang ik bij het leger vertoefde. Enkele mannen van de vijand die drank hadden meegenomen uit de stad, begonnen te drinken, en in hun dronken toestand doodden zij mijn negerslaaf. Hij was de enige dode die ik zag, hetzij in de stad, hetzij onderweg. 
Die nacht ontsnapte een Engelsman. Toen het morgen was (1 maart) werd ik bij de generaal gebracht, die mij de opdracht gaf de Engelsen te vertellen dat zij, als er nog meer ontvluchtten, de overige gevangenen zouden verbranden. De man die mij meenam wilde niet dat ik tijdens onze reis met een gevangene sprak. Op de morgen van de tweede dag was hij echter aangesteld als bewaker in de achterhoede. Ik werd in handen gesteld van mijn andere meester. Hij stond mij toe om met mijn vrouw te spreken, toen ik haar inhaalde. Ik mocht met haar samen lopen om haar op haar tocht te helpen. We spraken onderweg over het geluk van hen die recht hadden op een huis, niet met handen gemaakt maar eeuwig in de hemelen. Zij hadden God tot hun Vader en hun Vriend. Ook spraken we erover dat het onze behoorlijke plicht was ons stil aan Gods wil te onderwerpen en te zeggen:”De wil van de Heere geschiede.” Mijn vrouw vertelde mij dat haar lichaamskracht begon af te nemen, en dat ik maar moest verwachten dat ik haar zou verliezen. Ze sprak de hoop uit dat God mijn leven zou sparen, en het leven van sommige, zo niet alle kinderen die bij ons waren. Ze vertrouwde de zorg over hen, na God, aan mij toe. Nooit sprak ze een woord van misnoegen over wat ons was overkomen. We hielden spoedig halt, en mijn eerste meester kwam naar mij toe. Ik moest met hem mee om vooraan te lopen. Zo nam ik mijn laatste afscheid van mijn geliefde vrouw, de begeerte mijner ogen, en mijn gezellin in de vele zegeningen en smarten. Toen we van elkaar scheidden, baden we voor elkaar om genade voor hetgeen waartoe God ons zou roepen. 

(Wordt vervolgd)