Kenmerken van echte geestelijke gevoelens (1)

Echte geestelijke gevoelens komen voort uit de geestelijke, bovennatuurlijke en goddelijke inwerking op het hart.
Christenen worden in het Nieuwe Testament geestelijke mensen genoemd, tegenover mensen die alleen maar natuurlijk of ongeestelijk zijn. ‘Een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is. Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen’.  (1 Korinthiërs 2: 14-15). Ook vinden we een onderscheid tussen geestelijke en vleselijke mensen. ‘En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke’, dat wil zeggen mensen die nog niet echt een geheiligd leven leiden (1Korinthiërs 3:1). De termen ‘ongeestelijk’, ‘natuurlijk’ en ‘vleselijk’ komen in deze verzen neer op niet-geheiligd, zonder de Geest. ‘Geestelijk’ betekent dan ook geheiligd door de Heilige Geest. 
Niet alleen christenen worden geestelijk genoemd, ook bepaalde eigenschappen en principes worden op zo’n manier omschreven. We lezen over een ‘gezindheid van de Geest’ (Romeinen 8: 6-7), ‘geestelijk inzicht’ (Kolossenzen 1:9) en ‘geestelijke zegen’ (Efeziërs 1:3).
In al deze verzen heeft ‘geestelijk’ of ‘van de Geest’ geen betrekking op de geest van de mens. Iets is op zich niet geestelijk omdat het een plaats heeft in de geest van de mens en niet in zijn lichaam. Het woord ‘vleselijk’ kan immers ook gebruikt worden voor dingen die in de geest van de mens voorkomen. Paulus nomet trots, eigengerechtigheid en vertrouwen op eigen wijsheid bijvoorbeeld  ‘vleselijk’ (Kolossenzen 2:18), hoewel al deze dingen een plaats hebben in de geest van de mens.
Het Nieuwe Testament gebruikt het woord ‘geestelijk’ met betrekking tot de Heilige Gest, de derde persoon van de Drieëenheid. Christenen zijn geestelijk omdat ze vanuit Gods Geest geboren zijn en omdat de Geest in hen woont. Bepaalde zaken zijn geestelijk omdat ze met de Heilige Geest te maken hebben. ‘Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. Doch een ongeestelijk mens aanvaardat niet hetgeen van de Geest Gods is’ (1 Korinthiërs 2: 13-14).
God heeft Zijn Geest gegeven om in echte christenen te wonen en in hun harten te werken, waar immers hun leven en handelen uit voortkomt. Paulus zegt dat christenen leven doordat Christus in hen leeft (Galaten 2:20). Christus is niet alleen in hen door Zijn Geest, maar Hij leeft in hen. Zij leven door Zijn leven. Christenen drinken niet alleen van het levende water, maar dit levende water wordt in hen tot een fontein die springt ten eeuwigen leven (Johannes 4:14). Het sap van de ware wijnstok wordt niet in hen uitgegoten als in een beker, maar het vloeit door levende ranken, waar het een bron van leven is (Johannes 15:5). De Schrift noemt christenen dan ook ‘geestelijke’ omdat God Zijn Geest op die manier aan hen verbindt.
De Geest van God kan de natuurlijke mens beïnvloeden en Hij doet dat ook, zoals we zien in Numeri 24:2, 1 Samuël 10:10 en Hebreeën 6:4-6. Maar in deze situaties bewerkt Gods Geest geen geestelijk leven. De Geest van God en de natuurlijke mens zijn niet verenigd. Laat met dit als volgt illustreren. Licht kan schijnen op een donker, zwart voorwerp. Maar als het licht niet maakt dat het voorwerp zelf licht afgeeft, dan zal niemand het een glanzend voorwerp noemen. Evenzo kan de Geest van God wel Zijn uitwerking hebben op de ziel, maar als de Geest geen bron van geestelijk leven wordt in de ziel, dan is er geen sprake van een geestelijke ziel.
De belangrijkste reden waarom de Schrift christenen en christelijke deugden ‘geestelijk’ noemt, is dat de Heilige Geest in christenen vrucht voortbrengt die overeenstemt met de Geest Zelf.
De Geest van God is heilig. Daarom wordt Hij in de Schrift ook de Heilige Geest genoemd. Heiligheid is de pracht en heerlijkheid van de goddelijke natuur en hoort bij het wezen van de Heilige Geest, net zoals hitte bij vuur hoort. De Heilige Geest is in het hart van christenen als een fontein ten leven. Hij werkt in hen en geeft Zichzelf aan hen in Zijn heerlijke, goddelijke heiligheid. Hij laat de ziel van de christen delen in Gods geestelijke heerlijkheid en in de vreugde van Christus. Doordat hij deel heeft aan de Heilige Geest, heeft de gelovige dan ook gemeenschap met de Vader en de Zoon. Het geestelijk leven in het hart van de gelovige is dus in wezen niet anders dan Gods eigen heiligheid, maar dan natuurlijk in veel mindere mate. Het is net als de zon die schijnt op een diamant. De glans van de diamant is in wezen niet anders dan die van de zon, maar is wel veel minder sterk. Dit is wat Christus bedoelt in Johannes 3:6:’Wat uit de Geest geboren is, is geest.’ De Heilige Geest brengt een nieuwe natuur voort die in wezen niet verschilt van de Geest Zelf. Daarom noemt de Schrift het een geestelijke natuur.
Alleen in echte christenen werkt de Geest op die manier. Judas beschrijft mensen met een wereldse gezindheid als ‘natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben’ (Judas 19). Paulus zegt dat de Heilige Geest alleen in echte christenen woont. ‘Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe’ (Romeinen 8:9). Als iemand de Heilige Geest heeft, dan is dat volgens Johannes een duidelijk teken dat hij in Christus is:’Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft’ (1 Johannes 4:13). Een natuurlijk mens daarentegen heeft geen ervaring met geestelijke dingen. Voor hem is het dwaasheid, want hij heeft geen idee wat het inhoudt. ‘Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is’ (1 Korintiërs 2:14). Jezus Zelf leerde dat de ongelovige wereld de Heilige Geest niet kent:’De Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet’ (Johannes 14:17). 
Het is dus duidelijk dat wat de Heilige Geest in echte christenen bewerkt, verschilt van alles wat mensen door hun natuurlijke, menselijke vermogens kunnen bewerken. Dat is waar ik op doelde toen ik zei dat echte geestelijke emoties voortkomen uit een bovennatuurlijke werking.
 Hieruit volgt dat christenen in hun geest een nieuwe innerlijke perceptie of waarneming  hebben, volkomen verschillend van alles wat zij voor hun bekering ook maar ervaren hebben. Het is bij wijze van spreken een nieuw, geestelijk zintuig voor geestelijke dingen. Het onderscheidt zich van alle natuurlijke zintuigen, net zoals het smaakzintuig anders is dan het zintuig waarmee we zien, horen, ruiken of voelen. Door dit nieuwe, geestelijke zintuig is de waarneming van een christen anders dan die van een natuurlijk mens, net zoals het kijken naar honing anders is dan daadwerkelijk de zoete smaak ervan proeven. Daarom vergelijkt de Schrift het werk van de Geest in de wedergeboorte vaak met het krijgen van een nieuwe perceptie – zicht voor de blinden, gehoor voor de doven. En omdat deze geestelijke gewaarwording indrukwekkender en volmaakter is dan al het andere dat we waarnemen, vergelijkt de Schrift het met de opstanding uit de doden en een nieuwe schepping.
Veel mensen verwarren deze nieuwe, geestelijke waarneming met fantasie, maar dat is toch echt iets anders. Fantasie is iets wat ieder mens heeft en waardoor we in staat zijn ons bepaalde beelden, geluiden, geuren en andere dingen voor te stellen, ook al zijn die er niet echt. Op de volgende manieren verwarren mensen fantasie met geestelijke waarneming. Sommige mensen zien in hun voorstelling een helder licht en noemen dat een geestelijke openbaring van Gods heerlijkheid. Anderen hebben een levendige voorstelling van Christus Die bloedend aan het kruis hangt en noemen dit een geestelijk beeld van de gekruisigde Christus. Weer anderen zien een vriendelijke Christus voor zich met wijd uitgestrekte armen om hen te omhelzen en noemen dit een openbaring van de genade en liefde van Christus. Nog weer anderen hebben een duidelijke voorstelling van de hemel en van Christus, Die gezeten is op Zijn troon te midden van allerlei rangen en standen van engelen en gestorven gelovigen. Zij menen dat zij de hemel geopend zien. En nog weer anderen menen stemmen en geluiden te horen, wellicht bijbelteksten citerend, en noemen dit de stem van Christus in het hart of het getuigenis van de Heilige Geest.
Toch hebben al deze ervaringen niets geestelijks in zich. Het zijn gewoonweg voorstellingen van uiterlijke dingen – een licht, een man, een kruis, een troon of een stem. Deze voorstellingen zijn niet geestelijk van aard. Een natuurlijk mens kan een heldere voorstelling hebben van vormen, kleuren en geluiden. De voorstelling van een uiterlijke schittering van de heerlijkheid van God is niet beter dan de gedachte aan miljoenen ongelovigen, die op de Dag des Oordeels door de uiterlijke heerlijkheid van Christus verloren zullen gaan. Een verstandelijke voorstelling van Christus Die aan het kruis hangt, is niet beter dan het beeld dat de ongeestelijke Joden voor zich zagen die rondom het kruis stonden en Jezus met hun lichamelijke ogen zagen. Denk hier eens goed over na.
Deze fantasierijke voorstellingen zijn in wezen zo ongeestelijk dat ze net zo goed van satan kunnen komen. Als hij mensen gedachten kan geven, dan kan hij hen ook beelden geven. Uit het Oude Testament weten we dat valse profeten dromen en visioenen ontvingen van leugengeesten (zie Deuteronomium 13:1-3; 1 Koningen 22:21-23; Jesaja 28:7; Ezechiël 13: 1-9; Zacharia 13: 2-4). Als deze voorstellingen door satan in iemand gedachten gelegd kunnen worden, dan kunnen ze dus niet als bewijs dienen dat God aan het werk is. 
Zelfs als deze voorstellingen in iemands gedachten wel van God afkomstig zouden zijn, dan zegt dit nog niets over het behoud van die persoon. Dit blijkt duidelijk uit de geschiedenis van Bileam, die we in de Bijbel tegenkomen. God gaf hem een helder en duidelijk beeld van Jezus Christus als de ster die oprijst uit Jakob en de scepter die oprijst uit Israël. Bileam zei zelf over deze ervaring:’De spreuk van hem, die de woorden Gods hoort, en die de wetenschap des Allerhoogsten kent, die het gezichts des Almachtigen schouwt, nederliggende met ontsloten ogen. Ik zie hem, maar niet nu; ik schouw hem, maar niet van nabij; een ster gaat op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israël’ (Numeri 24: 16-17). Bileam zag Christus in een visioen, maar hij had geen geestelijke kennis van Christus. Hij was niet gered, ondanks dat God hem de Redder deed zien.
Gevoelens die voortvloeien uit dergelijke voorstellingen zijn niet geestelijk van aard. Geestelijke gevoelens kunnen wel zulke beelden oproepen, vooral in mensen met een zwakke geest, maar wat iemand voor zich ziet in zijn voorstellingsvermogen kan geen geestelijke gevoelens voortbrengen. Geestelijke gevoelens ontstaan alleen uit het geestelijk: uit de Heilige Geest die ons geestelijk inzicht geeft in geestelijke waarheden. Maar een beeld of stem die we in onze geest waarnemen, is niet geestelijk van aard in de zin van ‘afkomstig van de Heilige Geest’. Ongelovigen kunnen dit net zo goed ervaren als gelovigen, omdat ieder mens een dergelijk voorstellingsvermogen heeft. Toch is het niet vreemd dat dergelijke godsdienstige voorstellingen vaak onze natuurlijke gevoelens erg aanwakkeren. Wat zouden we anders moeten verwachten van iemand die meent dat deze voorstellingen goddelijke openbaringen en een bewijs van Gods genade zijn? Natuurlijk wordt zo iemand enthousiast!
Het lijkt me goed om op deze plaats iets te zeggen over het getuigenis van de Heilige Geest met onze geest dat we kinderen van God zijn (Romeinen 8:16). Ik merk dat veel mensen dit verkeerd begrijpen. Zij denken dat het getuigenis van de Geest een directe openbaring is van het feit dat God hen als zijn kinderen heeft aangenomen. Zij verwachten een soort mysterieuze stem of indruk waardoor God hen er innerlijk van verzekert dat Hij hun Vader is.
Het komt door het woord ‘getuigenis’ dat deze mensen zo op het verkeerde been worden gezet. Wanneer de Schrift zegt dat God ‘getuigenis aflegt’, dan denken zij dat dit inhoudt dat God de waarheid op een directe manier bevestigt of bekendmaakt. Maar als we wat beter kijken naar de Schrift, dan zien we dat deze gedachte niet klopt. ‘Getuigenis afleggen’ of ‘verklaren’ houdt in het Nieuwe Testament vaak in: het bewijs leveren dat iets waar is. In Hebreeën 2:4 bijvoorbeeld lezen we dat ‘God getuigenis daaraan geeft door tekenen en wonderen en velerlei krachten en door de Heilige Geest toe te delen naar Zijn wil’. Deze tekenen, wonderen, krachten en de gave van de Heilige Geest worden Gods getuigenis genoemd, niet omdat hierdoor de waarheid wordt bekendgemaakt, maar omdat ze het bewijs ervan zijn. Een ander voorbeeld vinden we in 1 Johannes 5:8, waar ‘het water en het bloed’ getuigen genoemd worden. Het water en het bloed maken op zich niet de waarheid bekend, maar ze vormen een bewijs. Weer een ander voorbeeld vinden we als we lezen dat God in Zijn voorzienigheid regen en vruchtbare tijden gegeven heeft als ‘getuigenis’ van Zijn goedheid, dat wil zeggen als bewijs daarvan (Handelingen 14:17). 
Als Paulus het heeft over de Heilige Geest die met onze geest getuigt dat wij kinderen van God zijn, dan bedoelt hij niet dat de Geest ons een bovennatuurlijke impressie of openbaring geeft. Wat Paulus bedoelt, blijkt uit de verzen die ervoor staan:’Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn’ (Romeinen 8:14-16). Dat betekent dat de Heilige Geest het bewijs levert dat wij kinderen Gods zijn, doordat Hij in ons woont, ons leidt en ons ertoe aanzet om ons tegenover God te gedragen als kinderen tegenover hun vader.
Paulus spreekt van twee geesten: de geest van slavernij, die samenhangt met angst, en de Geest van het zoonschap, die samenhangt met liefde. De geest van slavernij is gebaseerd op angst, want een slaaf is bang voor straf. Maar de liefde roept uit:’Abba! Vader!’ en stelt de mens in staat om tot God te komen en zich te gedragen als Zijn kind. In deze kinderlijke liefde voor God ziet en ervaart de gelovige dat zijn ziel met God verenigd wordt. Dit overtuigt hem ervan dat hij Gods kind is. Het getuigenis van de Heilige Geest is dus niet een soort geestelijke fluistering of een directe openbaring. Het is de heilige werking van Gods Geest in de harten van de gelovigen, die maakt dat zij God liefhebben, de zonde haten en heiligheid najagen. Of, in de woorden van Paulus:’Indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven’, (Romeinen 8:13).
Als Paulus zegt dat de Heilige Geest getuigt met onze geest, dan wil hij daarmee niet zeggen dat er twee afzonderlijke, onafhankelijke getuigen zijn. Hij bedoelt dat we in onze geest het getuigenis van Gods Geest ontvangen. Dat wil zeggen, onze geest merkt het bewijs op dat wij Gods kinderen zijn en maakt dit kenbaar. Dit bewijs is door de Heilige Geest in ons gelegd. Onze geest is dat deel van ons innerlijk dat op andere plaatsen in de Schrift wordt aangeduid met het hart (1 Johannes 3:19-21) of het geweten (2 Korintiërs 1:12).
De gedachte dat het getuigenis van de Heilige Geest een soort innerlijke stem is, een indruk of een goddelijke bekendmaking aan de mens dat hij geliefd, vergeven of uitverkoren is, heeft al heel wat schade berokkend. Hoeveel hevige, maar onechte gevoelens zijn er al niet uit deze misleidende gedachte voortgekomen! Ik vrees dat massa’s mensen door deze misleiding naar de hel zijn gegaan. Daarom ben ik er zo uitgebreid op ingegaan.

Kenmerken van echte geestelijke gevoelens (2)

Geestelijke gevoelens gaan altijd hand in hand met geestelijke nederigheid
Geestelijke nederigheid is het besef van een christen hoe ontoereikend en slecht hij zelf is. Dit brengt hem ertoe zichzelf te vernederen en alleen God te verhogen. Er is ook nog een andere manier waarop iemand zichzelf kan vernederen, die we forensische vernedering zullen noemen. Deze vorm van zichzelf vernederen komt alleen voor bij ongelovigen. De wet van God werkt in hun geweten en doet hen inzien hoe zondig en hulpeloos ze zijn. Ze zien echter niet hoe weerzinwekkend de zonde is. In hun hart zeggen zij de zonde dan ook niet vaarwel en geven ze zichzelf niet over aan God. Zij voelen zich gedwongen om zichzelf te vernederen, maar er is geen echte nederigheid. Ze voelen wat ieder slecht mens en de duivel zullen voelen op de Dag des Oordeels; ze voelen zich overtuigd, vernederd en gedwongen Gods rechtvaardigheid te erkennen, zonder dat zij tot bekering komen.
Geestelijke nederigheid daarentegen komt voort uit het echte christelijke besef van de schoonheid en heerlijkheid van Gods heiligheid. Het doet de gelovige ervaren hoe smerig en verachtelijk hij zelf is omdat hij zondig is. Het brengt hem ertoe zichzelf volkomen vrijwillig neer te buigen voor Gods voeten, zichzelf te verloochenen en zijn zonden te verwerpen.
Geestelijke nederigheid is een van de belangrijkste kenmerken van echt geloof. Iemand die het niet kent, is geen echte christen, hoe opzienbarend zijn ervaringen ook mogen zijn. In de Schrift komt veelvuldig naar voren hoe belangrijk het is dat een gelovige zichzelf vernedert:’De Here is nabij de gebrokenen van hart en Hij verlost de verslagenen van geest’(Psalm 34: 19). ‘De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God’(Psalm 51:19). ‘Zo zegt de Here: De hemel is Mijn troon en de aarde de voetbank Mijner voeten … op zulken sla Ik acht: op de ellendige, de verslagene van geest en wie voor Mijn woord beeft’(Jesaja 66:1-2). ‘Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen’(Matteüs 5:3). Zie ook de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar in Lucas 18: 9-14.
Geestelijke vernedering is de essentie van christelijke zelfverloochening. Deze bestaat uit twee aspecten. Allereerst moet iemand afrekenen met zijn wereldse neigingen en de zonde vaarwel zeggen. Vervolgens moet hij ook zijn eigengerechtigheid en ikgerichtheid afleggen. Dat laatste is het moeilijkst. Velen hebben alleen de eerste stap gezet, maar laten de tweede achterwege. Ze hebben uiterlijke genoegens verworpen, maar koesteren nu het duivels genot van trots.
Natuurlijk proberen zulke schijnheilige, trotse mensen zich nederig voor te doen, maar meestal slagen ze daar niet echt in. Hun nederigheid houdt doorgaans in dat ze anderen vertellen hoe nederig ze wel zijn. Ze zeggen dingen als:’Ik ben de minste van alle gelovigen’, ‘Ik ben slechts een arm, nietswaardig schepsel’, ‘Mijn hart is nog zwarter dan dat van de duivel’, enzovoorts. Maar hoewel ze dit zeggen, verwachten ze dat anderen hen zullen beschouwen als voorbeeldige christenen. 
Want als iemand anders deze dingen over hen zou zeggen, dan zouden ze zich diep beledigd voelen!
Geestelijke trots kan erg subtiel zijn en zich voordoen als nederigheid. Maar er zijn twee aanwijzingen waardoor we deze trots kunnen herkennen:
1. Een trots mens vergelijkt zichzelf in geestelijke dingen met anderen en voelt zich superieur. Hij wil graag een leidinggevende positie innemen onder kinderen Gods en zou graag zien dat zijn wil wet is. Hij hoopt dat andere christenen tegen hem opkijken en hem in geloofszaken navolgen.
Een echt nederig mens is het volstrekt tegenovergestelde. Zijn nederigheid maakt dat hij anderen hoger acht dan zichzelf (Filippenzen 2:3). Het is voor hem niet vanzelfsprekend dat hij een leidinggevende taak heeft. Hij zal juist anderen geschikter vinden, zoals Mozes dat vond (Exodus 3:11 – 4:7). Hij luistert liever dan dat hij spreekt (Jakobus 1:19). En als hij spreekt, dan is dat niet met bravoure en zelfverzekerdheid, maar met knikkende knieën. Hij houdt er niet van om macht uit te oefenen over anderen; hij volgt liever dan dat hij leidt.
2. Een ander teken van geestelijke trots is dat een trots mens zijn nederigheid erg hoog inschat. Maar iemand die echt nederig is, zal zichzelf juist trots vinden.
Dat komt omdat een trots mens en nederig mens een verschillend zelfbeeld hebben. We meten iemands nederigheid af aan ons beeld van de waardigheid en grootheid die hem toekomt. Als een koning zou neerknielen om de schoenen van een andere koning uit te trekken, dan zouden wij dit, net als de koning in kwestie, opvatten als een daad waarmee hij zichzelf vernedert. Maar als een slaaf zou neerknielen om de schoenen van zijn koning uit te trekken, dan zou niemand vinden dat hij zichzelf wegcijfert of vernedert. Ook de slaaf zelf zou dat niet vinden, tenzij hij absurd verwaand zou zijn. Als hij achteraf zou opscheppen over zijn nederigheid omdat hij de schoenen van de koning heeft uitgetrokken, dan zou iedereen hem vierkant uitlachen en zeggen:’Wie denk je wel niet dat je bent, dat je jezelf nederig vindt omdat je de schoenen van de koning hebt uitgetrokken?’ 
Een trots mens is als de verwaande slaaf. Hij ziet het erkennen van zijn onwaardigheid tegenover God als een teken van nederigheid. Dat komt omdat hij zo’n hoge dunk van zichzelf heeft. Hoe nederig is hij om zijn onwaardigheid te erkennen! Maar als hij een goed beeld van zichzelf had, dan zou hij versteld staan en zich schamen dat hij niet dieper voor God gebogen heeft.
Iemand die echt nederig is, zal nooit vinden dat hij zichzelf voldoende voor God vernederd heeft. Hoe diep hij ook buigt, hij zal altijd voelen dat hij dieper moet buigen. Hij zal altijd vinden dat hij nog een te hoge plaats inneemt ten opzichte van God. Hij ervaart een grote afstand tussen zijn positie en daar waar hij zou moeten staan en hij noemt die afstand ‘trots’. Hij zal juist zijn trots hoog inschatten, niet zijn nederigheid. Hij vindt het geen teken van nederigheid dat hij voor God in het stof zou moeten kruipen. Hij ziet dit juist als de plaats waar hij hoort.
Lezer, laat niet na om dit alles op uzelf te betrekken. Voelt u zich op de teentjes getrapt als iemand zichzelf als christen beter vindt dan al de anderen? Beschouwt u hem als trots en vindt u zichzelf nederiger dan hij? Pas dan op dat u niet trots wordt op uw nederigheid! Beproef uzelf. En wees niet tevreden wanneer u denkt dat niemand zo zondig is als u. vindt u zichzelf beter dan anderen, omdat u uw zondigheid erkent? Hebt u een hoge dunk van uw nederigheid? En als u zegt:’Nee, ik heb geen hoge dunk van mijn nederigheid, ik ben in wezen zo trots als de duivel’, beproef uzelf dan opnieuw. Misschien bent u trots op het feit dat u uw nederigheid zo laag inschat. Misschien bent u er trots op dat u toegeeft hoe trots u bent. 

Kenmerken van echte geestelijke gevoelens (3)

Echte geestelijke gevoelens maken het hart zacht en gaan hand in hand met een zachtmoedige, christelijke hartsgesteldheid.
Onechte gevoelens kunnen het hart voor korte tijd zacht maken, maar uiteindelijk zullen ze het juist verharden. Mensen met zo’n gevoelsleven zullen zich uiteindelijk niet meer zo druk maken om hun eigen zonden, of het nu gaat om zonden uit het verleden, het heden of de toekomst. Ze trekken zich steeds minder aan van de waarschuwingen van Gods Woord en van Zijn tuchtiging in de door Hem gestuurde omstandigheden. Ze bekommeren zich nauwelijks om de toestand van hun ziel of om hun gedrag. Ze zien steeds minder scherp wat zondig is en zijn niet meer op hun hoede voor zonde in hun woorden en daden. Waarom? Omdat ze zo’n hoge dunk van zichzelf hebben. Ze hebben godsdienstige indrukken en ervaringen ontvangen, dus denken ze dat het wel goed zit. Als zij een echte overtuiging van zonde en vrees voor de hel zouden hebben, dan zouden ze juist erg precies zijn in hun godsdienstige en morele leven. Maar nu ze denken dat ze de hel niet meer hoeven te vrezen, verdwijnt hun zelfverloochening steeds meer naar de achtergrond en laten ze zich gaan in allerlei lusten.
Zulke mensen hebben Christus niet aangenomen als hun Verlosser uit de zonde. Zij vertrouwen op Hem als de Verlosser voor hun zonden! Zij denken dat Christus het niet zo erg vindt als zij van hun zonden blijven genieten en dat Hij hen wel zal beschermen tegen Gods oordeel. Judas noemt zulke mensen ‘zekere mensen (die zijn) binnengeslopen (…) die de genade van onze God in losbandigheid veranderen’ (Judas 4). God Zelf waarschuwt ons voor deze misvatting:’Wanneer Ik tot de rechtvaardige zeg, dat hij zeker leven zal, maar hij vertrouwt op zijn gerechtigheid en doet onrecht, dan zal met geen van zijn gerechte daden rekening gehouden worden, maar om het onrecht dat hij deed, zal hij sterven’ (Ezechiël 33:13). 
Een echt geestelijk gevoelsleven bewerkt juist het tegenovergestelde. Het verandert een hart van steen steeds meer in een hart van vlees. Het maakt het hart zo zacht als een kwetsbaar babyhuidje. Christus wijst op deze zachtmoedigheid als Hij over de echte christen spreekt als over een klein kind (Matteüs 10:42 en 18:3; Johannes 13:33). De huid van een klein kind is gevoelig. Datzelfde geldt voor het hart van een geestelijk pasgeborene. En niet alleen de huid, maar ook de gedachten van een klein kind zijn erg gevoelig. Een klein kind voelt snel medelijden en kan er niet tegen als het anderen ziet lijden. Bij een christen is het niet anders. Een vriendelijk mens wint gemakkelijk het vertrouwen van een klein kind. Bij een christen is het niet anders. Een kind wordt snel bang als allerlei slechte dingen op hem afkomen. Evenzo is een christen op zijn hoede als hij morele slechtheid ziet. Als een klein kind iets bedreigends tegenkomt, dan vertrouwt hij niet op zijn eigen kracht, maar rent hij naar zijn ouders. Evenzo trekt een christen niet in eigen kracht ten strijde tegen geestelijke vijanden, maar schuilt hij bij Christus. Een klein kind is gauw bang in het donker of als hij alleen is of ver van huis. Zo is ook een christen zich bewust van geestelijke gevaren en let hij op zijn hartsgesteldheid als hij de weg niet duidelijk voor zich ziet; hij is bang alleen gelaten te worden en niet meer bij God te zijn. Een klein kind is snel bang voor de boosheid en straf van zijn ouders. Zo is een christen bang om God te kwetsen en vreest hij Zijn tuchtiging.
In al deze opzichten lijkt een echte christen op een klein kind. In geestelijke dingen is de grootste en sterkste gelovige het kleinste en meest kwetsbare kind.

Kenmerken van echte geestelijke gevoelens (4)

Echte geestelijke gevoelens bewerken een verlangen naar grotere heiligheid.
Hoe meer een echte christen God liefheeft, des te meer gaat zijn verlangen naar Hem uit en des te groter is zijn onbehagen wanneer hij Gods liefde niet ervaart. Hoe meer een echte christen de zonde haat, des te groter wordt zijn afkeer ervan en des te groter is zijn bedroefdheid over de liefde die hij nog steeds voor de zonde ervaart. In dit leven kunnen christenen niet meer dan een voorsmaak krijgen van de toekomstige heerlijkheid. De meest voortreffelijke gelovige is slechts een kind vergeleken met wat hij in de hemel zal zijn. Daarom zal zelfs de hoogste mate van heiligheid die een gelovige in deze wereld kan bereiken zijn verlangens niet bevredigen. Integendeel, hij raakt er steeds meer op gebrand te jagen naar grotere heiligheid. “Eén ding doe ik: vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus. Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn” (Filippenzen 3: 14-15).
“Maar,” zal iemand misschien tegenwerpen, “hoe is zo’n onbevredigbaar verlangen dan te verenigen met de vervulling die geestelijke vreugde met zich meebrengt?” 
Hier is geen sprake van een tegenstelling. Geestelijke vreugde voldoet in de volgende opzichten aan de verlangens van de ziel:
1. Geestelijke vreugde sluit op volmaakte wijze aan bij de aard en de behoeften van de ziel van de mens. De persoon die deze vreugde ervaart, krijgt er nooit genoeg van. Het is zijn grootste vreugde en hij zoudeze niet voor iets anders willen verruilen. Maar dat houdt niet in dat hij niet kan verlangen naar meer van dezelfde geestelijke vreugde.
2. Geestelijke vreugde voldoet aan onze verwachtingen. Een sterk verlangen wekt hoge verwachtingen. Wanneer we een wereldse vreugde ervaren waarnaar we erg verlangd hebben, dan worden we vaak teleurgesteld. Maar met geestelijke vreugden is het anders. Deze stellen nooit teleur.
3. Geestelijke vreugde verzadigt de ziel ten volle. Tegelijkertijd is de ziel in staat om telkens meer ruimte te maken. Als we in geestelijk opzicht niet helemaal tevreden zijn, dan is dat aan onszelf te wijten. Wij stellen onszelf niet voldoende open. 
In deze opzichten verzadigt geestelijke vreugde de ziel. Ze vervult onze diepste noden, voldoet aan onze verwachtingen en ze vervult ons overeenkomstig ons vermogen om te ontvangen. Dit staat helemaal in lijn met een blijvend verlangen naar meer en meer van hetzelfde, totdat onze vreugde volmaakt is.
Een heel ander verhaal is de schijnvreugde die voor echte geloofsvreugde door wil gaan. Als iemand overtuigd raakt van zonde en bang is voor de hel, kan hij verlangen naar geestelijk licht, geloof in Christus en liefde voor God. Wanneer hij door bedrieglijke ervaringen misleid is en denkt dat hij verlost is, dan is hij daarmee tevreden. Hij kent geen verlangen naar genade en heiligheid, vooral wanneer zijn ervaringen erg indrukwekkend zijn. Hij leeft niet dagelijks met God en Christus, maar leeft op zijn vroegere bekeringservaring.
Hoe anders is het bij een echte christen. Hij zoekt God onafgebroken. Niet voor niets beschrijft de Bijbel echte gelovigen onder meer als ‘hen die God zoeken’. ‘De ootmoedigen zullen het zien, zij zullen zich verheugen; gij, die God zoekt, uw hart leve op’ (Psalm 69: 33). ‘Laten in U jubelen en zich verheugen allen die U zoeken’ (Psalm 70: 5). De Schrift beschrijft het zoeken van de christen vooral als iets van na zijn bekering. Als het in de Schrift gaat om de wedloop lopen, strijden tegen overheden en machten, voorwaarts gaan, volharden in gebed en dag en nacht tot God roepen, dan heeft dat betrekking op hen die al christenen zijn. Helaas houden veel mensen er vandaag de dag een onbijbelse manier van spreken op na door te zeggen dat hun zoektocht en worsteling zich voor hun bekering al heeft afgespeeld en dat ze louter rust en vrede ervaren nu ze christen zijn.
Ongetwijfeld zijn er schijnheilige mensen die zeggen dat ze God en Christus onafgebroken zoeken en heiligheid najagen. Maar zo iemand zoekt in wezen geestelijke dingen vanuit verkeerde motieven. Hij blijft uitsluitend gericht op zichzelf. Hij strekt zich uit naar telkens hogere geestelijke ervaringen vanwege de zelfzuchtige zekerheid die ze hem geven of omdat hij dan de gedachte kan koesteren dat hij Gods lievelingetje is. Hij wil Gods liefde voor hem voelen in plaats van zijn liefde voor God. Omdat hij weet dat een echte christen bepaalde verlangens heeft, bootst hij die na. Maar een verlangen naar ervaringen of naar het voelen van Gods liefde of naar de dood en de hemel zijn geen betrouwbare tekenen dat iemand een echte christen is. Een verlangen naar een geheiligd hart en leven is dat wel.