Geloof en ervaring (1)

“Ik had (…) de grootste vreugde in de Heilige Schriften, meer dan in welk boek ook. Vaak als ik aan het lezen was, leek elk woord mijn hart te raken. Ik gevoelde overeenstemming tussen iets in mijn hart en deze zoete en krachtige woorden.”

 

(door ds. M.J. Kater)

Dit zijn enkele woorden uit de autobiografie (“Personal Narrative”) van iemand die de HEERE door Zijn Geest de gave had geschonken van een geweldige denkkracht. Als ik u in een paar artikelen mag laten kennismaken met deze belangrijke theoloog uit de 18e eeuw, dan zal dat niet meer zijn dan even een glimp opvangen van deze God-geleerde. Want dat was hij, al zijn er onder zijn werken ook bij die behoren tot de grote filosofische werken in deze wereld.
Naast een enkel moment uit zijn leven wil ik u graag enkele van zijn gedachten doorgeven over het altijd weer actuele onderwerp “geloof en ervaring”. Naar mijn stellige overtuiging kunnen we daar aan het eind van de 20e eeuw onze winst mee doen.

Honing
Een voorbeeld dat hij nogal eens gebruikt om duidelijk te maken wat de plaats van de ervaring is in het geloofsleven is het proeven van honing. De vraag is: wanneer weet u nu ècht wat honing is? Is dat zo wanneer u alles gelezen hebt over wat honing is, zodat u precies kunt vertellen hoe het vervaardigd wordt en welke eigenschappen het heeft? Néé, want u weet niet eens hoe het smáákt!

Op dit front nam Edwards zijn positie in tegenover de zogenaamde rationalisten (“rationalists”), mensen die het geloof beschouwden als een verstandelijke kennis en geloven als een verstandelijk redeneren. Men zou het geloven “per conclusie”  kunnen noemen. U kent dat wel:
(1)  Jezus is voor zondaren gestorven,
(2)  Ik ben een zondaar, dus
(3)  Jezus is voor mij gestorven.
Geloven is dan niet meer dan aannemen dat deze laatste conclusie juist is.
“Verlichte” mensen legden bovendien de Schrift op de ontleedtafel van het menselijk verstand en het wetenschappelijk denken en sneden haar op mensenmaat.
Maar stel nu dat iemand op de vraag wat nu eigenlijk honing is, antwoordt:”O, dat is zo zoet, zó zoet…”  Wéét hij nu wat honing is? Néé, want hij weet immers niet wàt het is dat zo zoet is!
Hiermee is dan een ander front getekend waarop Edwards moest strijden, de zogenaamde “enthusiasts”, de mensen die leefden uit en geloofden in hun religieuze emoties en ervaringen. Met name als gevolg van de opwekkingen die Edwards meemaakte, kwam hij in aanraking met mensen die dreven op hun ervaring. Maar zij konden zich geen rekenschap geven van de waarheid uit Gods Woord die hun emoties in beslag nam. Geloven is dan niet meer dan “wat” voelen of ervaren.
Het ware geloof heeft beide in zich: het weet wat honing is èn kent de smaak ervan door het te proeven! Het is zo een zaak van de hele mens met verstand, wil en gevoel. Het is een bevindelijk kennen. Het is be-proef-de kennis. 

Achtergrond
Als Edwards op 5 oktober 1703 ter wereld komt in de pastorie van East Windsor, is de geschiedenis van het puritanisme in Amerika inmiddels een kleine eeuw oud.
De geschiedenis van het protestantisme en puritanisme in Amerika begint met de “pilgrimfathers”. In 1620 verlaten de eerste puriteinen via Nederland hun vaderland om in de nieuwe wereld een nieuw leven te beginnen. Deze eerste kolonisten hadden heel duidelijk religieuze motieven. Ze wilden een werkelijk theocratische samenleving beginnen en hoge geestelijke en kerkelijke idealen verwerkelijken. Echter, het verval begon spoedig. Formalisme kwam de kerk ook daar binnen, openlijke zonden werden toegelaten. Het morele leven kwam langzamerhand in plaats van de persoonlijke relatie met God door de wedergeboorte. Weliswaar aanvaardde men de geloofsbelijdenis van Westminster, maar in de praktijk bleek steeds vaker dat voorgangers niet meer van harte achter de calvinistische beginselen stonden. Een zekere gematigdheid (“moderatism”) kwam op en daarmee ook een toenemende invloed van het arminianisme! (Is dat niet actueel?!). Daarnaast deed ook de invloed van de verlichting zich gelden in Nieuw Engeland. Het zijn allemaal ontwikkelingen die Edwards hebben aangegrepen en waartegen hij met het zwaard van de Geest gestreden heeft in prediking en geschrift.

Opwekkingen
Na zijn studie, waarin zijn talenten gebleken zijn, wordt hij op 27 februari 1727 bevestigd tot hulppredikant in de gemeente van zijn opa Stoddard, wel de “paus van Massachusetts”  genoemd. Na het overlijden van zijn opa twee jaar later dient Edwards deze gemeente te Northampton nog tot 1750.
In de jaren 1734-´35 maakt Edwards daar een geweldige opwekking mee. Daarvan heeft hij verslag gedaan in zijn “Faithful Narrative”  (Ned. uitgave: “Die God leeft nog”), een boekje waarin hij een diepgaande analyse geeft van het verschijnsel “opwekking”. Hij noemt het een buitengewoon werk van de Heilige Geest vanwege: het grote aantal personen dat tot bekering komt, de kracht waarmee de Geest werkt zodat in korte tijd mensen komen tot een heldere kennis van Christus, de diepgang die openbaar komt in het beleven van de zondigheid van de zonde en de rijkdom van Gods genade en ook aangezien de uitbreiding ervan geweldig is in omliggende plaatsen.
Bijzonder zijn vooral de jaren 1740-´45, de jaren van de grote opwekking (“Great Awakening”). In die tijd bezoekt ook George Whitefield, de bekende methodistische opwekkingsprediker, Amerika en ontmoet hij Edwards. Edwards was meer de theoloog, Whitefield de redenaar. Samen heeft de Heere hen willen gebruiken voor de uitbreiding van Zijn koninkrijk.
Maar Edwards was ervan overtuigd dat niet de buitengewone verschijnselen en allerlei bijzondere ervaring de garantie waren dat het in deze opwekkingen ging om het werk van de Geest. De duivel kan buitengewone gaven, visioenen en openbaringen heel goed imiteren. Echter niet een heilig en ootmoedig leven! Een les die we in onze tijd van “bijzonderheden” ter harte mogen nemen.

Soevereiniteit
Het is altijd gevaarlijk om één aspect van iemands prediking te noemen zonder andere aspecten te bespreken. Toch, als één ding genoemd moet worden uit de prediking van Edwards, dan is het wel zijn prediking van Gods soevereiniteit. Niet als systeem, maar als de werkelijkheid van de levende God. Het is juist die prediking die de Heere heeft willen zegenen.
Daarnaast wil ik niet onvermeld laten dat de eerste beweging in het “dal van dorre doodsbeenderen”  te Northampton kwam tijdens een serie preken over de rechtvaardiging door het geloof alleen (over Rom. 4:5).

 


Geloof en ervaring (2)

“De ware religie bestaat voor een groot deel in heilige aandoeningen.”
Edwards kan heel positief spreken over de plaats van deze “affections” (aandoeningen/genegenheden) in het leven des geloofs. Wel staat daarbij de vraag voor hem centraal hoe ervaringen gewerkt door de Heilige Geest te onderscheiden zijn van ervaringen die nergens anders uit voorkomen dan uit de menselijke (verdorven!) geest. Niet alles wat zich als geestelijke ervaring aandient, ìs ook werkelijk Geest-elijke ervaring.

(door ds. M.J. Kater)

Geen geloof zonder ervaring
In het kader van deze artikelen over “geloof en ervaring” begin ik dit keer met een citaat van hemzelf over zijn geloofs-ervaring van het aanvaarden van Gods soevereiniteit.
“Van mijn kinderjaren af is mijn geest vol tegenwerpingen geweest tegen de leer van Gods soevereiniteit, dat Hij kan kiezen wie Hij wil tot het eeuwige leven en verwerpen wie Hij wil, om hen voor eeuwig te laten omkomen en eindeloos gepijnigd te worden in de hel. Het was voor mij een verschrikkelijke leer. Maar ik herinner mij heel goed dat ik overtuigd werd van en bevredigd werd met de soevereiniteit van God en Zijn rechtvaardigheid om zondaren naar Zijn eeuwig welbehagen te behandelen…
Sinds deze eerste overtuiging heb ik vaak een ander besef gehad van Gods soevereiniteit dan ik voorheen had. Ik heb er niet alleen een overtuiging van gehad, maar ook een heerlijke overtuiging. De leer is mij voorgekomen als buitengewoon aangenaam, helder en zoet. Ik wens absolute soevereiniteit aan God toe te schrijven.”
Ik laat Edwards nog een keer zelf aan het woord over zijn eigen ervaring als hij terugblikt:”Sinds ik naar Northampton gekomen ben, heb ik vaak een heerlijk vermaak gehad in God, in een besef van Zijn heerlijke deugden en de uitnemendheid van Jezus Christus. (…) De weg van de zaligheid door Christus is mij heerlijk, uitnemend en schoon voorgekomen. (…) God is voor mij heerlijk, om Zijn Drie-eenheid. (…) De heerlijkste vreugde die ik ervaren heb, kwam niet van de hoop op mijn goede staat, maar in het zien van de heerlijke inhoud van het evangelie. (…) Sinds ik in deze stad leef, heb ik vaak een aandoenlijk besef gehad van mijn zondigheid en vuilheid. Regelmatig in zo´n mate dat ik luid moest wenen.”

Ervaring centraal?
Edwards is dus een theoloog met ervaring. Maar dat is nog heel wat anders dan een ervaringstheoloog! Want niet de ervaring van de mens is zijn uitgangspunt, maar de openbaring van God!
Dat het ware geloof niet zonder ervaring is, grondt Edwards maar niet op de ervaring, maar op de Schrift zelf. Hij noemt drie aanwijzingen daarvoor:
1. zo worden Gods heiligen beschreven in het Woord: bevend voor het Woord en de heilige God, hopend op God en Zijn genadige beloften, met liefde tot God en de Heere Jezus Christus, met liefde tot het volk van God, met een heilige vreugde in God en Zijn heil, wenend met een gebroken hart, enz.;
2. zo wordt Christus Zelf ons geopenbaard in het Evangelie. En het is juist deze vereniging van de gelovige met Christus die een belangrijke plaats inneemt in wat Edwards geschreven heeft over het geloof. Immers dan geldt:”ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij” (Gal. 2:20);
3. zo wordt ook de “religie van de hemel” ons in de Schrift voorgesteld, als voor een belangrijk deel gepaard gaande met aandoeningen als vreugde en liefde. Dit alles onderbouwt Edwards met vele “bewijsplaatsen” uit Gods Woord.

Toch stelt Edwards niet de ervaring op zichzelf centraal. In zijn uitgebreide behandeling van “Religious Affections” waarin hij heel wat kenmerken noemt van door de Geest gewerkte emoties tegenover alles wat zich wel als geestelijk aandient maar het niet is, noemt hij als tweede kenmerk dat er een “objectieve grond” is van “gracious affections” (door Gods genade gewerkte aandoeningen). Dat is nl. de allesovertreffende schoonheid en liefelijkheid van God, van Christus, van Zijn Woord, van Zijn werken en van Zijn wegen. Het gaat Edwards dus om het voorwerp – dus datgene waarin men zich verheugt of waarom men bedroefd is – van deze ervaringen. De vraag is dus:”Waar zijn ze op gericht en hoe zijn ze ontstaan?” Alleen die ervaringen zijn geloofservaringen die uit de Schrift voortkomen en daaraan getoetst kunnen worden. En déze ervaringen en aandoeningen zullen altijd voortkomen uit en gericht zijn op “God en Goddelijke zaken”.

Ervaring toetsen
Zoals hierboven aangegeven is dat één van de vragen geweest waar Edwards zich diepgaand mee beziggehouden heeft:”Hoe kan men in de bonte mengeling van religieuze ervaringen onderscheiden tussen het echte werk van de Geest en namaak?” 
Met het oog daarop schreef hij zijn “Religious Affections”. Een geschrift met als centrale tekst 1 Petr. 1:8:”Dewelke gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Dewelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde”.
In het eerste deel gaat hij in op de aard van de door de Geest gewerkte emoties, aandoeningen en gevoelens en het belang ervan. Vervolgens noemt en bespreekt hij eerst een heel aantal dingen waaruit men nooit met zekerheid de conclusie kan trekken dat deze dingen wijzen op genade die God heeft bewezen, of daar zelfs mee in strijd zijn. Het derde deel is het uitvoerigst: 12 kenmerken die duidelijk wijzen op het werk van de Geest in het hart worden door Edwards besproken. Zo vraagt hij daarin bijvoorbeeld aandacht voor het “bovennatuurlijke” werk van de Geest, het feit dat werkelijk geestelijke ervaringen niet buiten het verstand omgaan, dat door de Geest gewerkte ervaringen altijd met zich meebrengen een geest van liefde, ootmoed, vergevingsgezindheid en dankbaarheid, dat deze ervaringen altijd doen verlangen naar meer en niet leiden tot een rusten op deze ervaringen en dat zij altijd gevolgen zullen hebben voor de praktijk van het christenleven.
Er is heel wat religieuze ervaring buiten en binnen de kerk. Hoe zullen we echte van het namaak onderscheiden? Of zit u daar niet zo erg over in? Heel concreet: als u een keer met ontroering een psalmvers zingt, is dàt dan een bewijs voor u dat u werkelijk een geestelijk mens bent?
Leerde u het van harte meebidden:”Doorzoek en toets mijn gangen, doorgrond al mijn verlangen, en stel mijn oogmerk in de dag”? 

 

 

Geloof en ervaring (3)

Edwards verdedigt de religie van het hàrt. Maar waarschuwt er wel voor dat niet allerlei buitengewone en wonderlijke gebeurtenissen (stemmen die gehoord worden, passages uit de Schrift die op een onverklaarbare wijze in gedachten komen of andere openbaringen) onbedrieglijke tekenen zijn van het ware geloof. De inwoning van de Heilige Geest blijkt uit een heilig leven.

 

(door ds. M.J. Kater)

Edwards heeft in woord en geschrift er uiting aan gegeven dat volgens de Bijbel er geen ware religie is zonder de geraaktheid van het hart (“Affections”). Liefde is de wortel van alle religie. Tegelijk heeft Edwards moeten strijden tegen allerlei uitwassen in de opwekkingsbeweging (allerlei gevoelsuitbarstingen, hysterisch geschreeuw en allerlei lichamelijke effecten). Hij heeft zichzelf ook moeten verdedigen tegen de beschuldiging een “geestdrijver” te zijn, omdat hij zo positief sprak over allerlei gevoelsuitingen in het leven des geloofs. In zijn uitvoerige verhandeling over geestelijke aandoeningen (ofwel hartstochten) – “Religious Affections” – noemt hij dan ook een heel aantal dingen die het onderscheid aanwijzen tussen de gevoelens en ervaringen van de oprecht gelovige en een schijngelovige.
Enkele daarvan geef ik u graag door om ons daardoor te laten onderwijzen.

Wat het niet is
*  geestelijke hoogmoed: Men kan alle aardse gemakken verloochenen zonder zichzèlf te verloochenen. Dus veel opofferen kan ook voortkomen uit geestelijke hoogmoed. Een hoogmoedige denkt groot van zichzelf, van zijn ervaringen en van wat hij doet. Een ootmoedige denkt groot van God. 
De ootmoedige heeft veel last van zijn hoogmoed. Onze ootmoed staat nimmer in verhouding tot Gods heiligheid, wel in verhouding tot onze kennis ervan. Echt geestelijk leven maakt geen geestelijk arrogante tirannen.
* huichelaars: Een huichelaar heeft genoeg aan zijn bekering. Een christen heeft nooit genoeg van God. Alle gearriveerdheid is wezensvreemd aan het leven uit Christus. Het zoeken en strijden horen niet maar bij de eerste bekering, maar vooral bij de dagelijkse bekering.
* aandoeningen: Een christen zal in gezelschap niet meer aangedaan zijn dan wanneer hij alleen met God is.
Edwards vreest dat er velen “aangedaan zijn door hun aandoeningen”. Het voorwerp van hun geloof wordt gevormd door hun eigen gevoelens.
* genade: Als genade ons minder waakzaam maakt, kennen we geen genade.
* steunen op: Steunt een nabijkomend christen op zijn geloof, de ware christen leunt op zijn God.
Verder wijst Edwards (met vele andere puriteinen) er met veel nadruk op dat het bewijs voor de wedergeboorte de praktijk van alledag is. De vruchten zeggen meer dan de wortel. Wel gaat de genade in het hart voorop!
Emotie, opgewondenheid en “show” zeggen niets over de heiligende werking van de Heilige Geest.

Wat het wel is
Wat ik uit de veelheid van gegevens zou willen noemen is dit: in het geestelijk leven zien we iets van Gods heerlijkheid. Er is iets in van het “Smaakt en ziet dat de HEERE goed is”. De taal van het Hooglied is geen onbekende taal in het leven van Gods Koningskinderen. Dat is geen valse of ziekelijke mystiek.

Ik laat opnieuw Edwards zelf weer aan het woord:”Soms heb ik een gevoel gehad van de uitnemende volheid van Christus. Van Zijn zachtmoedigheid en gepastheid als Zaligmaker. Waarbij Hij mij verschenen is als ver boven alles verheven: de Eerste van tienduizenden! Zijn bloed en verzoening kwamen zoet voor mijn aandacht, evenals Zijn gerechtigheid. Dit ging altijd gepaard met vurigheid van geest en een inwendig worstelen, hijgen en hunkeren – wat niet uitgesproken kan worden – om ontledigd te worden van mezelf en verslonden te worden in Christus”.
Dit is geen andere taal dan van een “nuchtere” Calvijn die bijvoorbeeld bij zijn Commentaar op Gal. 4:19 opmerkt:”Want de geweldige genegenheden breken al de woorden half af, als wij niet vinden wat het gevoel van het gemoed genoegzaam uitdrukt, en het gemoed al ziedende, de keel als het ware afsluit”.

Is dit alles wat over geloof en ervaring valt te zeggen bij Edwards? Beslist niet. Maar wel is het bestuderen van Edwards op dit punt (en vele andere punten) de moeite waard. Ook onze tijd kent aan de ene kant haar zucht naar religieuze ervaring die wat broeierig aandoet en aan de andere kant altijd nog het kille, beredeneerde geloof zonder “smaak” in de dingen die van de Geest van God zijn.
Edwards laat zien dat alle ervaring en gevoel nog geen geloofservaring en -gevoel is. Daarom is een “goed gevoel” tijdens een kerkdienst nog geen bewijs van het ware geloof te hebben ontvangen. Aan de andere kant toont hij aan dat een geloof zonder aandoeningen een dood geloof is.
Maar niet de ervaring of bevinding, maar de Schrift blijft voor hem de norm voor het geloofsleven. Daarom kan Edwards` boek over “Religious Affections” ons werkelijk goede diensten bewijzen in de noodzakelijke bezinning op het bijbelse geloofsbegrip.
Ik wijs u in dit verband op een boekje van Edwards dat in onze taal verschenen is:”Geen geloof zonder gevoel”.

Het is uitermate triest dat in 1750 Edwards van de gemeente van Northampton waar hij met zoveel zegen heeft mogen werken, is losgemaakt in verband met een controverse over de vraag wie toegelaten mogen worden aan het Heilig Avondmaal.
De laatste jaren van zijn leven werkt hij in een Indianengemeente te Stockbridge. Hier schrijft hij zijn indrukwekkende verhandelingen over “Original Sin” (erfzonde) en “Freedom of Will” (vrije wil). Daartoe verzocht, stemt hij in met een benoeming als president van het Princeton College. Maar dit is van korte duur. Op 22 maart 1758 sterft hij tengevolge van een inenting tegen pokken. Zijn laatste woorden zijn:”Trust in God, and you need not fear” (Vertrouw op God en u hoeft niet te vrezen).

 

Uit: De Wekker