Het echte werk van Gods Geest

Wat is echt werk van Gods Geest?

Verhandeling over de godsdienstige gevoelens


Voorwoord van de schrijver


Voor de mensheid in het algemeen en voor ieder mens persoonlijk is er geen vraag, waarop een beslist antwoord van groter belang is, dan deze:
Wat zijn de onderscheidende kenmerken van hen die delen in Gods gunst, en recht hebben op de eeuwige zaligheid? Of, wat op hetzelfde neerkomt: Wat is het wezen van de ware godsdienst? En waarin liggen de onderscheidende kentekenen van die deugd en heiligheid, die aangenaam zijn in Gods ogen? 
Maar hoewel het een zaak van zo groot gewicht is, en hoewel we in Gods Woord een helder en overvloedig licht hebben om ons in deze kwestie te leiden, is er toch geen zaak, waarin belijdende christenen meer van elkaar verschillen. Het zou eindeloos werk zijn de verscheidenheid aan opvattingen op dit punt op te sommen, die de christelijke wereld verdelen en zo de waarheid laten zien van de woorden van onze Zaligmaker:”Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.”


De overweging van deze dingen heeft mij lange tijd aangespoord om hier aandachtig op te letten, met zo groot mogelijke vlijt, zorgvuldigheid en nauwkeurig onderzoek als waartoe ik in staat was. Het is een onderwerp, waarmee mijn gedachten steeds bijzonder bezig zijn geweest sinds ik aanving met de studie van godgeleerdheid.
Wat echter het resultaat van mijn onderzoek is, moet ik overlaten aan het oordeel van de lezer van deze verhandeling.


Ik ben mij ervan bewust dat het erg moeilijk is onpartijdig een mening te vormen wat betreft het onderwerp van deze verhandeling, vanwege het stof en de rook van verdeeldheid, waar ons land nu in verkeert, inzake dingen van deze aard. 
Zoals het erg moeilijk is onpartijdig te schrijven, zo is het ook erg moeilijk onpartijdig te lezen. Velen zullen zich mogelijk gekwetst voelen, als ze merken dat hier zoveel dingen worden veroordeeld, die tot de godsdienstige affecties behoren; en misschien zullen anderen verontwaardigd zijn, wanneer ze merken dat hier zoveel dingen worden verdedigd en goedgekeurd. En wellicht zullen sommigen klaarstaan om mij van tegenstrijdigheid te beschuldigen, omdat ik sommige dingen zozeer goedkeur en andere zozeer veroordeel. Ik heb gemerkt dat sommigen deze beschuldiging steeds opnieuw tegen mij inbrengen, sinds het begin van onze laatste godsdiensttwist.

Het is moeilijk om een oprecht, vurig voorstander te zijn van wat goed en wenselijk was in de buitengewone verschijnselen onlangs, en zich er zeer in te verheugen; en tegelijkertijd het slechte en schadelijke te zien van wat er kwaad in was, en zich daar vurig tegen te verzetten. Toch is het mijn bescheiden doch vaste overtuiging, dat we ons nooit in de weg der waarheid zullen bevinden, noch op een weg die God behaagt en strekt tot bevordering van het koninkrijk van Christus, zolang we niet beide dingen doen.


Het heeft inderdaad iets zeer wonderlijks, dat in Gods kerk zoveel goeds en zoveel kwaads vermengd is; net zoals het verwonderlijk is, wat menig goed christen heeft verward en verwonderd, dat iets wat zo goddelijk en kostbaar is als Gods zaligmakende genade en de nieuwe, goddelijke natuur, in het hart van een heilige kan samenwonen met zoveel verdorvenheid, huichelarij en ongerechtigheid. Toch is geen van deze meer verwonderlijk dan werkelijk. En geen van deze is nieuw of vreemd. Het is niet nieuw, dat in een tijd, waarin de ware godsdienst sterk opleeft, ook de valse godsdienst sterk wordt; en dat in zo’n tijd een menigte huichelaars zich onder de ware heiligen mengt. 
Zo was het tijdens die grote reformatie en opleving van de godsdienst ten tijde van Josia, zoals blijkt uit Jer. 3:10, en 4:3,4; en zoals blijkt uit de grote afval in het land, die zo spoedig na zijn regering plaatsvond. 

Zo was het tijdens die grote uitstorting van de Geest onder de Joden, in de dagen van Johannes de Doper; zoals blijkt uit de grote afval die onder dat volk plaatsvond, zo spoedig na zo’n algemeen ontwaken en na de tijdelijke godsdienstige troost en blijdschap van velen; Joh. 5:35:”Gij hebt ulieden voor een korten tijd in zijn licht willen verheugen.”

Zo was het tijdens die grote beroeringen onder de schare, die door de prediking van Jezus Christus werden teweeggebracht; van de velen die toen werden geroepen, waren slechts weinigen uitverkoren. Van de schare, die door Zijn prediking werd opgeschrikt en aangedaan, en er soms zeer door in beslag leek te zijn, vol van bewondering voor Christus, en opgetogen van vreugde, bestond slechts een klein aantal uit ware discipelen, die de schok van de grote beproevingen, die hierna kwam, konden doorstaan en volhardden tot het einde. 
Velen leken op de steen- of  doornachtige grond, en in verhouding waren er maar weinig als de goede grond. Van de grote hoop die vergaderd werd, was het grootste deel kaf, dat later door de wind werd weggedreven; en de hoop tarwe die overbleef was betrekkelijk klein, zoals duidelijk blijkt uit de geschiedenis in het Nieuwe Testament.

Zo was het tijdens die grote uitstorting van de Geest in de dagen van de apostelen, zoals blijkt uit Matth. 24:10-13; Gal. 3:1 en 4:11,15; Fil.2:21 en 3: 18,19; de twee brieven aan de Corinthiërs; en vele andere plaatsen in het Nieuwe Testament.

En zo was het tijdens de grote Reformatie in de tijd van het pausdom. 


Het blijkt zonder meer dat het in zo’n tijd van grote, godsdienstige herleving, die nu en dan plaatsheeft, met Gods zichtbare kerk gesteld is als met de fruitbomen in de lente; er is menigte aan bloesems, die er allemaal goed en mooi uitzien, en de jonge vruchten, die verschijnen, zijn veelbelovend; toch zijn velen ervan slechts van korte duur; ze vallen spoedig af, en komen nooit tot rijpheid.
Niet dat moet worden verondersteld dat het zo altijd zal blijven; want hoewel er in deze wereld nooit een volkomen zuiverheid zal zijn, niet in de heiligen persoonlijk, zonder enige inmenging van verdorvenheid; en evenmin in Gods kerk, zonder enige vermenging van huichelaars met heiligen, en van valse godsdienst en valse blijken van genade met ware godsdienst en ware heiligheid; toch is het duidelijk dat er een tijd zal komen, waarin Gods kerk een veel grotere zuiverheid zal bezitten dan in de eeuwen ervoor; wat blijkt uit deze teksten in de Schrift: Jes. 53:1; Joël 3:17; Zach. 14:21; Ps. 69: 32,35,36; Jes. 4: 3,4, 35:8,10; Ezech. 20:38; Ps. 37: 9,10,22,29. En een voorname reden hiervan zal zijn, dat God Zijn volk dan veel meer licht zal geven om te onderscheiden tussen ware en valse godsdienst. Mal.3:3:”En Hij zal zitten, louterende en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud en als zilver; dan zullen zij den HEERE spijsoffer toebrengen in gerechtigheid.” En vers 18, dat een vervolg is van de profetie van deze zalige tijden:”Dan zult gij wederom zien het onderscheid tussen den rechtvaardigen en den goddelozen, tussen hem die God dient, en hem die Hem niet dient.”


Door de valse met de ware godsdienst te vermengen, zonder dat deze onderscheiden worden, heeft de duivel in de loop der eeuwen, tot nu toe, zijn grootste voordeel behaald tegen de zaak en het koninkrijk van Christus. Voornamelijk door dit middel kreeg hij de overhand op alle godsdienstige herlevingen die er ooit zijn geweest van de eerste grondlegging der christelijke kerk af.  
Hierdoor bracht hij de zaak van het christendom in en na de apostolische tijd veel meer schade toe dan door alle vervolgingen door joden en heidenen. De apostelen tonen zich in al hun brieven veel meer bezorgd vanwege het eerste onheil dan het laatste. 
Hierdoor kreeg de Satan de overhand op de Reformatie, die met Luther, Zwingli en nog anderen begonnen was, en wist zo haar voortgang tegen te houden, en haar in ongenade te brengen, tien maal meer dan door al die bloedige, wrede en nooit eerder gehoorde vervolgingen door de kerk van Rome.
Hoofdzakelijk hierdoor kreeg hij de overhand op de godsdienstige opwekkingen, die in ons land sinds de Reformatie plaatsvonden. Hierdoor gelukte het hem in Nieuw-Engeland zo’n honderd jaar geleden de liefde uit te doven en de blijdschap te bederven. 
En ik meen dat ik voldoende gelegenheid heb gehad om in te zien dat de duivel hierdoor de overhand heeft gekregen op de laatste grote godsdienstige opwekking in Nieuw-Engeland, die zo gelukkig en veelbelovend begon. Dit is duidelijk het grootste voordeel geweest, dat de Satan over ons heeft behaald; hierdoor heeft hij ons verslagen. Het is door dit middel, dat de dochter Sions in dit land nu op de grond teneerligt, in de jammerlijke omstandigheden waarin wij haar nu zien, met haar kleding gescheurd, haar gezicht misvormd, haar naaktheid ontbloot, haar ledematen gebroken, en wentelend in het bloed van haar wonden, en op geen enkele manier in staat op te staan; en dit alles zo kort na de grote blijdschap en hoop die zij onlangs nog genieten mocht; Klaagl. 1:17:”Sion breidt haar handen uit, daar is geen trooster voor haar; de HEERE heeft van Jakob geboden, dat die rondom hem zijn, zijn tegenpartijders zouden zijn.” 
Ik heb gezien dat de duivel op deze manier op twee grote godsdienstige herlevingen in deze streek de overhand heeft gekregen. Satan handelt nog op dezelfde wijze met de mensheid als toen hij begon. Hij verleidde onze eerste ouders, en wierp hen uit het paradijs, en maakte plotseling aan al hun geluk en heerlijkheid een einde, door zich voor te doen als een vriend van hun gelukkige, paradijselijke staat, en voor te wenden deze op een nog hoger plan te zullen brengen. Zo heeft dezelfde listige slang, die Eva door zijn arglistigheid bedroog, ook ons verleid door ons af te trekken van de eenvoud die in Christus is, en ons zo beroofd van het goede vooruitzicht, dat we korte tijd ervoor nog hadden, namelijk dat Gods kerk in Nieuw-Engeland een soort paradijselijke toestand zou beleven.
Als de godsdienst in Gods kerk begint te herleven en er vijanden verschijnen, zijn de mensen die zich met de verdediging van haar belangen bezighouden in het algemeen het meest aan die kant aan gevaar blootgesteld, waar zij dit het minst vermoeden. Terwijl zij al hun aandacht richten op de tegenstand die hun openlijk geboden wordt en zij hieraan het hoofd bieden, verzuimen zij zorgvuldig om zich heen te zien; dan komt de duivel achter hen, en geeft hun ongezien een dodelijke slag. Hij heeft de gelegenheid des te beter te treffen en des te dieper de verwonden, doordat hij op zijn gemak en naar zijn goeddunken kan toeslaan, ongehinderd door waakzaamheid of weerstand.


En steeds wanneer de godsdienst aanmerkelijk herleeft, lijkt het in de kerk zo toe te gaan, zolang we niet hebben geleerd goed te onderscheiden tussen ware en valse godsdienst, tussen zaligmakende affecties en ondervindingen, en die vele mooie vertoningen en glitterende verschijningen, waardoor ze worden nagebootst. Wanneer deze niet worden onderscheiden, zijn de gevolgen hiervan dikwijls allervreselijkst. 
Door dit middel heeft de duivel het genoegen, dat hij vele mensen aan God een dienst laat bewijzen, in de waan dat deze aangenaam voor Hem is, terwijl ze in werkelijkheid zeer afschuwelijk is in Zijn ogen. 
Door dit middel misleidt hij massa’s mensen omtrent de staat van hun ziel, hij doet ze denken dat ze iets zijn, terwijl ze niets zijn; en stort hen zo in een eeuwig verderf. En niet alleen dit, maar ook bevestigt hij velen in een sterk vertrouwen van hun voortreffelijke heiligheid, terwijl zij in Gods ogen de ergste huichelaars zijn. 
Door dit middel verstikt en verwondt hij dikwijls de godsdienst in de harten van de heiligen, hij verduistert en misvormt haar door verdorven inmengingen, hij zorgt ervoor dat hun godsdienstige affecties jammerlijk ontaarden en soms geruime tijd lijken op het manna dat wormen en stank voortbracht. Van andere heiligen verstrikt en verwart hij op vreselijke wijze hun gedachten en brengt hen zo in grote moeilijkheden en verzoekingen, en laat ze vastlopen in een wildernis waaruit zij zich op geen enkele manier kunnen bevrijden. 
Door dit middel moedigt de Satan op krachtige wijze de openlijke vijanden van de godsdienst aan. Hij sterkt hun handen, en voorziet hen van wapens, en maakt hun vestingen stevig; terwijl op dezelfde tijd de godsdienst en Gods kerk open en bloot voor hen liggen, als een stad zonder muren. 
Door dit middel zorgt hij ervoor, dat mensen goddeloosheid bedrijven in de waan dat ze God een dienst bewijzen, en laat hen zondigen zonder enige belemmering, ja, met gedrevenheid en geestdrift, en met al hun krachten. 
Door dit middel laat hij zelfs de vrienden van de godsdienst het werk van de vijanden doen, zonder dat zij zich hiervan bewust zijn. In de waan dat ze de godsdienst bevorderen, brengen ze deze juist op een veel doeltreffender wijze schade aan dan openlijke vijanden dit zouden kunnen doen. 
Door dit middel verstrooit de duivel de kudde van Christus, en zet de een tegen de ander op, hij verhit hun gemoederen, terwijl ze menen voor God te ijveren; en de godsdienst ontaardt langzamerhand in een ijdele wanklank. En tijdens deze ruzie leidt Satan beide partijen ver van de rechte weg af, en brengt ze tot uitersten, de ene ter rechter- en de ander ter linkerhand, naar de wijze waartoe zij volgens hem het meest geneigd of het eenvoudigst te bewegen en te beïnvloeden zijn, totdat het rechte pad in het midden bijna geheel uit het oog is verloren. En temidden van deze verwarring heeft de duivel grote gelegenheid om zijn eigen belangen te bevorderen en zich op ontelbare manieren te versterken, de leiding in eigen handen te krijgen, en zijn eigen wil uit te voeren. 
En we kunnen zien wat de verschrikkelijke gevolgen zijn van deze valse godsdienst, wanneer zij niet wordt onderscheiden van de ware godsdienst: dikwijls raakt Gods volk uit zijn evenwicht en begint te wankelen aangaande de dingen van de godsdienst, zij weten niet waar zij hun voet moeten zetten, of wat zij denken of doen moeten; en velen beginnen aan de godsdienst zelf te twijfelen; en dwaling en ongeloof en atheïsme krijgen sterk de overhand.


Daarom is het zo belangrijk dat we ons uiterste best doen hierin goed te onderscheiden, en onwrikbaar vast te stellen, waarin de ware godsdienst bestaat. Zolang dit niet gedaan wordt, mag verwacht worden dat grote, godsdienstige herlevingen  slechts van korte duur zullen zijn. Zolang dit niet gedaan wordt, is er maar weinig goeds te verwachten van al ons hevig twisten, in gesprekken of in drukvorm, omdat we dan niet duidelijk en met onderscheid weten waarvoor wij te strijden hebben.
Mijn doel is in de volgende verhandeling mijn penning bij te dragen, en mijn ijverige (doch zwakke) pogingen hiertoe aan te wenden. Hierin moet worden opgemerkt dat mijn bedoeling enigszins verschilt van de bedoeling die ik had bij een eerder geschrift, waarin ik aantoonde wat de zekere kentekenen waren van een werk van Gods Geest, waarbij het zowel ging om de algemene als de zaligmakende werkingen. Wat ik nu voor ogen heb, is het karakter en de kenmerken aan te tonen van de genadige werkingen van Gods Geest, en te laten zien waarin deze verschillen van alle werkingen, die niet zaligmakend zijn. Als ik dit doel enigszins bereikt mag hebben, hoop ik dat het bevorderlijk zal zijn voor de godsdienstige belangen. En of ik er dan in geslaagd ben enig licht op deze zaak te werpen of niet, en hoe mijn pogingen dan ook mogen worden afgekeurd in deze prikkelbare en vitterige tijden, ik hoop dat de ontfermende God mijn oprechte pogingen in genade zal aanvaarden; en ik hoop eveneens op de oprechtheid en de gebeden van de ware volgelingen van het zachtmoedige en liefderijke Lam van God.



Deel II – Zaken die niet bewijzen dat de godsdienstige affecties vrucht van ware genade zijn, noch dat ze het níet zijn

Als iemand, na het lezen van wat inmiddels reeds gezegd is, de neiging heeft zichzelf vrij te spreken en te zeggen:”Ik ben niet een van hen, die geen godsdienstige affecties heeft; ik ben dikwijls zeer aangedaan bij het beschouwen van de grote godsdienstige zaken,” laat hem er geen genoegen mee nemen dat hij godsdienstige affecties heeft, want we zagen het reeds: zoals wij niet alle affecties moeten verwerpen en afkeuren alsof de ware godsdienst niet geheel bestaat in affecties, zo moeten we ze aan de andere kant niet allemaal goedkeuren, alsof iedereen die godsdienstig aangedaan is, ware genade bezit, en hierin het onderwerp is van de zaligmakende invloeden van Gods Geest. 
De rechte weg is om in godsdienstige affecties onderscheid te maken tussen de ene soort en de andere. Laat ons daarom nu trachten dit te doen; hiertoe zou ik twee dingen willen doen.
I. Ik zou enkele dingen willen vermelden die geen bewijs zijn van het een of het ander: dat de affecties zijn zoals die waar de ware godsdienst in bestaat, of dat zij dat niet zijn, opdat we bewaard zouden blijven voor het beoordelen van affecties op grond van valse tekenen.
II. Ik zou enkele dingen willen noemen, waarin de affecties die geestelijk zijn en voortkomen uit genade verschillen van de affecties waarvoor dat niet geldt, en waarin we ze onderscheiden en gekend kunnen worden.

1. Het is geen bewijs van het een of het ander, dat de godsdienstige affecties zeer sterk zijn, of tot een zeer hoge trap toenemen.
Sommige mensen hebben de neiging alle hevige affecties af te keuren: wanneer zij mensen zien, bij wie de godsdienstige affecties zijn toegenomen tot een buitengewoon hoge trap, zijn zij tegen hen bevooroordeeld, en stellen zonder verder onderzoek vast dat dezen zich misleiden. Maar als de ware godsdienst voor een groot deel bestaat in godsdienstige affecties, zoals is aangetoond, dan volgt daaruit dat er sterke godsdienstige affecties zullen zijn wanneer de ware godsdienst in sterke mate aanwezig is; eveneens dat de goddelijke en heilige affecties tot een hoge trap zullen toenemen wanneer de ware godsdienst in de harten van mensen tot een hoge trap toeneemt.
Liefde is een affectie, maar welke christen zal zeggen dat wij God en Jezus Christus niet hevig zouden moeten liefhebben? En wie zal zeggen, dat wij geen zeer grote haat jegens de zonde zouden moeten hebben en geen zeer diepe droefheid erover? Of dat we geen grote mate van dankbaarheid jegens God zouden moeten hebben voor de weldaden die wij van Hem ontvangen en de grote dingen die Hij heeft gedaan tot redding van het gevallen mensdom? Of dat we niet zeer grote en sterke verlangens naar God en heiligheid zouden moeten hebben? Is er iemand die zal beweren dat zijn godsdienstige affecties groot genoeg zijn, en die zal zeggen:”Het is voor mij geen reden mij te verootmoedigen dat ik niet meer ben aangedaan door godsdienstige zaken; het is voor mij geen reden om mij te schamen dat ik geen grotere beoefeningen heb van liefde tot God en droefheid over de zonde, en dankbaarheid voor de weldaden die ik heb ontvangen”? Wie zal God ervoor danken dat hij voldoende is aangedaan door wat hij heeft gelezen en gehoord van de grote liefde van God jegens wormen en rebellen in het overgeven van Zijn eniggeboren Zoon in de dood? En wie zal God ervoor danken dat hij voldoende is aangedaan door de stervende liefde van Christus? Wie zal God bidden dat hij door deze dingen niet meer zal worden aangedaan, omdat hevige affecties in een christen ongepast en ongewenst zijn, daar zij op hersenschimmen uitlopen en de ware godsdienst schaden? 
Onze tekst maakt duidelijk melding van sterke en hevige affecties wanneer ze spreekt van “zich te verheugen met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde”, hier zijn de sterkste uitdrukkingen gebruikt die de taal kan verschaffen. En de Schriften vermanen ons dikwijls tot de beoefening van zeer hevige affecties. Zo is er in het eerste en grote gebod van de wet een opeenstapeling van uitdrukkingen, alsof het aan woorden ontbrak om uit te drukken hoezeer we God zouden moeten liefhebben:”Gij zult den Heere uw God liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand.” Zo worden de heiligen opgewekt tot een hoge mate van blijdschap. “Verblijdt en verheugt u,” zegt Christus tot Zijn discipelen, Matth. 5:12. Zo wordt gezegd in Psalm 68:4: “Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn”. Zo worden in hetzelfde boek der Psalmen de heiligen dikwijls opgewekt om het uit te roepen van vreugde, en in Lukas 6:23 om vrolijk te zijn. Zo worden zij overvloedig opgewekt om in grote mate dankbaarheid te beoefenen voor Gods weldaden. Zij worden opgewekt om “God te prijzen met hun ganse hart, een hart dat zich opheft om in de wegen des Heeren te gaan, en met een ziel die de Heere grootmaakt, Zijn lof zingt, spreekt van Zijn wonderwerken, Zijn daden bekend maakt, enz.”
En de grootste heiligen in de Schrift verklaren dikwijls hun hevige affecties. Zo spreekt de Psalmist van zijn liefde, alsof deze niet te beschrijven was, Psalm 119: 97:”Hoe lief heb ik Uw wet!” Zo betuigt hij een grote haat jegens de zonde, Psalm 139: 21, 22:”Zou ik niet haten, HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? Ik haat hen met volkomen haat.” Ook betuigt hij een grote droefheid over de zonde; hij spreekt van zijn zonden die “over zijn hoofd gaan en hem als een zware last te zwaar zijn geworden; en van zijn brullen de ganse dag, en van zijn sap, dat werd veranderd in zomerdroogten”, en van zijn beenderen die als het ware gebroken waren van smart. Zo betuigt hij dikwijls een groot geestelijk verlangen, in vele van de sterkste uitdrukkingen die men zich kan denken, zoals “mijn ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water,” en: “mijn ziel schreeuwt tot U, o God”, en:”mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen; mijn hart en mijn vlees roepen uit”, enz.
Hij betuigt een grote en diepe droefheid over de zonden van anderen, Psalm 119: 136: “Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.” En vers 53:”Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.” Hij betuigt een grote vreugde, Psalm 21:2: “O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!” Psalm 71:23: “Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen.” Psalm 63: 4-8: “Want U goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen. Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen. Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen. Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken. Want Gij zijt mij een hulp geweest; en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.”
De apostel Paulus spreekt van grote affecties. Zo betuigt hij medelijden, en bezorgdheid om het welzijn van de ander, zelfs tot benauwdheid des harten toe. Hij betuigt een grote, vurige en overvloedige liefde, een hevig en hunkerend verlangen, en een buitengewone vreugde. Hij spreekt van de verrukking en triomf van zijn ziel, van zijn grote verwachting en hoop, en van zijn overvloedige tranen, en van de barensnood van zijn ziel in medelijden, in droefheid, in vurig verlangen, in goddelijke ijver. De Schriftplaatsen zijn reeds geciteerd, en behoef ik daarom niet te herhalen.
Johannes de Doper betuigde grote vreugde, Johannes 3: 29. Wat de gezegende vrouwen aangaat, die het lichaam van Jezus zalfden, wordt bij de opstanding van Christus melding gemaakt van een zeer sterke godsdienstige affectie, Matth. 28:8: “En haastelijk uitgaande van het graf, met vreze en grote blijdschap…” 
Dikwijls wordt van Gods kerk voorzegd dat in de toekomst gelukkige tijden hier op aarde zullen aanbreken, en dat er een buitengewone vreugde zal zijn: Psalm 89: 16, 17: “O HEERE! zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen. Zij zullen zich den gansen dag verheugen in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden.” Zach. 9:9: “Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen…” enz. Hetzelfde is op ontelbaar andere plaatsen te lezen. En omdat een hoge trap van blijdschap een gepaste en ware vrucht is van het evangelie van Christus, zegt de engel:”Ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal.”
De heiligen en engelen in de hemel, die de godsdienst in haar hoogste volmaaktheid beoefenen, zijn buitengewoon aangedaan door wat zij zien en overdenken van Gods volmaaktheden en werken. Zij zijn allen als louter hemelse vuurvlammen in hun liefde, en in de grootheid en kracht van hun blijdschap en dankbaarheid. Hun lofgezangen worden vergeleken met “een stem veler wateren”, en “een stem van een groten donderslag”.  Nu is de enige reden waarom hun affecties zo veel sterker zijn dan die van de heiligen op aarde, dat zij de dingen waardoor zij worden aangedaan meer zien zoals zij waarlijk zijn en hun affecties meer overeenstemmen met de aard van de dingen. En daarom, als de godsdienstige affecties van de mensen hier beneden slechts van dezelfde natuur en soort zijn als die van de hemelingen, hoe sterker zij dan zijn, en hoe dichter zij de trap bereiken van de hunne, hoe beter, want daarin zullen zij des te meer overeenkomen met de waarheid, zoals dit bij de hemelingen het geval is.
Uit deze dingen blijkt duidelijk, dat een zeer hoge trap van godsdienstige affecties geen bewijs is dat deze niet uit ware genade voortkomen. Daarom vergissen zij zich ernstig die zulke mensen veroordelen als dwepers, alleen maar omdat hun affecties zeer hoog zijn. 
En aan de andere kant is, dat de godsdienstige affecties groot zijn, geen bewijs dat ze een geestelijk karakter hebben en uit genade voortkomen. In de Heilige Schrift, onze vaste en onfeilbare regel om dingen van deze aard te beoordelen, is het zeer duidelijk dat er godsdienstige affecties zijn die zeer hoog zijn en toch niet geestelijk en zaligmakend zijn. De apostel Paulus spreekt van de affecties van de Galaten, die zeer in vervoering waren gebracht, en toch blijkt duidelijk dat hij vreest dat het vergeefs en ijdel was geweest, Gal. 4:15: “Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zo het mogelijk ware, uw ogen zoudt uitgegraven, en mij gegeven hebben.” En in vers 11 zegt hij:”Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb.” Zo waren de kinderen Israels aan de Rode Zee zeer aangedaan door Gods genade, toen zij hadden gezien welk wonder Hij voor hen had gedaan. Zij zonden hier Gods lof, hoewel zij spoedig Zijn werken vergaten. Zo waren zij opnieuw zeer aangedaan aan de berg Sinaï toen zij zagen hoe God Zich op wonderbare wijze openbaarde. En ze schenen daardoor enorm in beslag te zijn genomen en met grote bereidwilligheid antwoorden zij, toen God hun Zijn heilig verbond voorstelde, zeggende:”Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen, en gehoorzamen.” Maar hoe spoedig kwam er een eind aan deze grote bereidwilligheid en hevige affecties! Hoe spoedig wendden zij zich tot andere goden, en juichten en schreeuwden rondom het gouden kalf!
Zo was de grote schare, aangedaan door het wonder van de opwekking van Lazarus uit de dood, zeer opgetogen, en betoonde Jezus een machtig eerbetoon, toen Hij weldra Jeruzalem zou binnenrijden; op bijzondere wijze maakten zij Christus groot; het was hun alsof de grond niet goed genoeg was voor de ezel waarop Hij reed. En daarom sneden zij takken van palmbomen en strooiden die op de weg, ja, zij trokken hun klederen uit, en spreidden ze op de weg; en ze riepen met luider stem:”Hosanna, den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!” , zodat de gehele stad ervan weerklonk, en allen in tumult bracht. Wij leren van de evangelist Johannes dat de reden waarom het volk dit eerbetoon maakte, wat dat ze waren aangedaan door het wonder van de opwekking van Lazarus, Joh. 12: 18. Naar aanleiding hiervan riep een grote schare “Hosanna”, zodat de Farizeeën reden hadden om te zeggen:”Ziet, de gehele wereld gaat Hem na,” Joh. 12: 19, maar Christus had op dat moment maar weinig ware volgelingen. En hoe snel kwam een eind aan dit eerbetoon! Van al deze dingen was niets meer te bespeuren toen deze Jezus gebonden stond, met een spotkleed en een doornenkroon, om bespot, bespuwd, gegeseld, veroordeeld en ter dood gebracht te worden. Inderdaad, er was opnieuw een groot en luid geroep onder de schare, evenals tevoren, maar nu van een geheel andere aard: het was geen “Hosanna, hosanna,” maar “Kruist Hem, kruist Hem.”
En ook alle rechtzinnige godgeleerden stemmen hierin overeen, dat er godsdienstige affecties kunnen zijn, die een zeer hoge trap hebben bereikt, terwijl er toch niets van de ware godsdienst aanwezig is.

II. Dat affecties een grote lichamelijke uitwerking hebben, is geen bewijs dat ze voortkomen uit ware godsdienst, of juist niet.
Alle affecties hebben in zeker opzicht of enigermate een lichamelijk effect. Zoals reeds opgemerkt is dit onze natuur; de wet van de eenheid van ziel en lichaam is zo, dat de geest niet levendig of sterk werkzaam kan zijn zonder enig lichamelijke uitwerking. Het lichaam is zozeer aan de geest onderworpen en zijn sappen, in het bijzonder die van de bezielde geesten, begeleiden zozeer de bewegingen en werkzaamheden van het gemoed, dat er geen sterke gedachte kan zijn die hier geen invloed op heeft. Ja, het is de vraag of een belichaamde ziel ooit enige gedachte of werkzaamheid kan hebben, zonder dat er in een deel van het lichaam enigermate een corresponderende beweging of verandering van beweging van de sappen plaatsvindt. De algemene ervaring leert immers dat affecties een bepaald lichamelijk effect hebben. En als alle affecties een lichamelijke uitwerking hebben, dan kunnen we aannemen, dat, hoe groter en sterker die affecties zijn (terwijl de overige omstandigheden gelijk blijven), des te groter zal ook de uitwerking op het lichaam zijn; zeer grote en sterke affecties hebben een grote lichamelijke uitwerking. Indien er nu twee soorten sterke affecties zijn, zowel natuurlijke als geestelijke, is het niet verwonderlijk dat deze beide soorten sterke affecties eveneens beide grote uitwerkingen op het lichaam hebben. En daaruit volgt dat deze sterke uitwerkingen niet uitwijzen of de affecties van het ene of het andere soort zijn. 
Grote uitwerkingen op het lichaam bewijzen beslist niet dat affecties geestelijk zijn; want we zien dat zulke uitwerkingen dikwijls voortkomen uit sterke affecties omtrent tijdelijke zaken, waar de godsdienst op geen enkele wijze in betrokken is. En als grote affecties met betrekking tot wereldlijke zaken, affecties die  louter natuurlijk zijn, deze uitwerking kunnen hebben, weet ik niet op grond van welke regel sterke affecties omtrent godsdienstige zaken, die op dezelfde wijze voortkomen uit de natuur, niet dezelfde uitwerking kunnen hebben. 
Aan de andere kant weet ik niet op grond van welke regel affecties die heilig zijn en uit genade voortkomen niet eveneens een grote lichamelijke uitwerking kunnen hebben, wanneer ze net zo’n hoge trap hebben bereikt als natuurlijke affecties, en even krachtig werkzaam zijn.  Met de rede is zo’n regel niet af te leiden: ik weet geen reden waarom het lichaam niet kan bezwijken doordat iemand is aangedaan door een gezicht van Gods heerlijkheid, evengoed als wanneer hij zou zijn aangedaan door een gezicht van Salomo’s heerlijkheid. En zo’n regel is ook nog niet afgeleid vanuit de Schrift; tijdens al de twisten van de laatste tijd was er nooit iets wat zaken van deze aard betrof. Geestelijke affecties hebben een grote kracht: we lezen van de kracht die werkt in de christenen, en van de Geest Gods, Die in hen is als de Geest der kracht, en van de werking Zijner kracht in hen, Efeze 3: 7, 20; 2 Tim. 1:7. Maar de menselijke natuur is zwak: vlees en bloed worden in de Schrift als bijzonder zwak afgebeeld: en voornamelijk wat betreft hun ongeschiktheid om grote geestelijke en hemelse werkzaamheden en oefeningen te dragen, Matth. 26: 41, 1 Cor. 15: 43 en 50. Onze tekst spreekt van een “onuitsprekelijke en heerlijke vreugde”. En wie overdenkt hoe de menselijke natuur is, en wat de aard van de affecties is, kan zich afvragen of zo’n onuitsprekelijke en heerlijke vreugde niet te groot en te machtig is voor nietig stof en as, en in staat om het te doen bezwijken. In de Schrift blijkt duidelijk dat een ware Gods-ontdekking, of een waar begrip van Gods heerlijkheid, wanneer deze in een grote mate geschonken wordt, door de aandoening van het gemoed de neiging heeft het lichaam te doen bezwijken. De Schrift leert ons immers dikwijls dat als deze begrippen of gezichten zouden worden gegeven in zo’n mate als zij in de hemel worden gegeven, het zwakke gestel van het lichaam daaronder niet zou kunnen bestaan, en dat in deze zin geen mens God kan zien en leven. De kennis, die de heiligen in deze wereld van Gods schoonheid en heerlijkheid hebben, en de heilige affecties die daaruit voortkomen, zijn van dezelfde aard als die van de heiligen in de hemel; slechts de mate en de omstandigheden zijn verschillend: wat God hen hier schenkt, is een voorsmaak van de hemelse gelukzaligheid, en een voorproef van hun toekomstige erfenis. En wie zal God beperken in het schenken van deze voorproef, of zeggen dat hij zoveel van de erfenis en zo’n deel van het toekomstige loon mag geven als voorproef op het geheel, en niet meer? En wanneer we zien dat God ons in Zijn Woord heeft geleerd dat het gehele loon zodanig is dat het lichaam er meteen onder zou bezwijken, is het niet zeer vrijpostig voor ons om grenzen te stellen aan de soevereine God, door te zeggen dat Hij in het geven van een voorproef van Zijn loon in deze wereld, er nooit zoveel van zal geven, als genoeg is om de kracht van het lichaam  te verminderen, wanneer God Zichzelf nergens op deze manier heeft beperkt?
De Psalmist, sprekende van de zeer sterke godsdienstige affecties die hij ondervond, spreekt van een uitwerking in zijn vlees of lichaam, naast wat in zij nziel was, nadrukkelijk de een van de ander onderscheidende, eenmaal en andermaal: Psalm 84:3: “Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en vlees roepen uit tot den levenden God.” Hier is een duidelijk onderscheid tussen hart en vlees, die beide zijn aangedaan. Zo ook Psalm 63:1: “Mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.” Hier wordt eveneens een duidelijk gemaakt tussen ziel en vlees. 
De profeet Habakuk spreekt ervan dat een besef van Gods majesteit zijn lichaam deed bezwijken, Hab. 3:16: “Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats.” Zo spreekt de Psalmist nadrukkelijk van het beven van zijn vlees, Psalm 119:120: “Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U”. (KJV: “Mijn vlees beefde van verschrikking voor U.”)
Dat zo’n voorstelling van Gods heerlijkheid, zoals ze soms in deze wereld geschonken wordt, de neiging heeft het lichaam te doen bezwijken, blijkt duidelijk, want de Schrift getuigt ervan dat dit soms daadwerkelijk de uitwerking was van zo’n uitwendige verschijning van God aan sommige heiligen, die het doel had hun een besef te geven van Zijn majesteit en heerlijkheid. Voorbeelden hiervan vinden we bij de profeet Daniël en de apostel Johannes. Daniël zegt, wanneer hij getuigt van een uitwendige verschijning van de heerlijkheid van Christus, Daniël 10:8: “En er bleef in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield.” En de apostel Johannes zegt, wanneer hij getuigt van een dergelijke verschijning aan hem, Openb. 1:17: “En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten.” Het is vergeefs hier te zeggen dat deze slechts uitwendige verschijningen of tekenen waren van de heerlijkheid van Christus, die de heiligen waarnamen; want hoewel zij zagen met hun lichamelijke ogen, toch was de bedoeling van deze uitwendige tekenen of verschijningen dat de profeten een begrip kregen van de voorgestelde zaak, de ware goddelijke heerlijkheid en majesteit van Christus, dat is Zijn geestelijke heerlijkheid; zij dienden slechts als aanduiding van Zijn geestelijke heerlijkheid, en zo ontvingen zij hen ongetwijfeld ook en maakten zij er gebruik van en werden zij erdoor aangedaan. Overeenkomstig het doel dat God had met deze uitwendige tekenen, ontvingen zij hierdoor een sterk en levendig besef van de werkelijke heerlijkheid en majesteit van Gods wezen; en zo werden zij hevig aangedaan, hun ziel werd erdoor verzwolgen en hun lichaam bezweek. En ik denk dat het zeer stoutmoedig en gedurfd is om te zeggen dat God niet net zo’n helder en aangrijpend besef van diezelfde heerlijkheid en majesteit van Zijn wezen kan en wil schenken aan een van Zijn heiligen zonder de tussenkomst van zo’n uitwendige afschaduwing ervan.
Voor ik dit hoofdstuk afsluit, zou ik nog willen opmerken dat het helder is dat de Schrift dikwijls lichamelijke uitwerkingen noemt om de kracht van heilige en geestelijke affecties uit te drukken, zoals beven, zuchten, krank zijn, bezwijken en verzwakt zijn. Als men nu stelt dat dit slechts oneigenlijke uitdrukkingen zijn om de mate van affectie uit te drukken, hoop ik toch dat allen zullen toegeven dat het gepaste beelden zijn om de hoge mate van deze geestelijke affecties uit te drukken, waarvan Gods Geest gebruik maakt om Zich te openbaren; ik kan mij niet indenken hoe zij dit zouden kunnen zijn, als die geestelijke affecties, laat hen in nooit zo’n hoge mate zijn, niet de neiging hebben tot zulke lichamelijke uitwerkingen; maar dat deze integendeel de uitwerkingen en treurige kentekenen zijn van valse affecties, en het bedrog van de duivel. Ik kan mij niet voorstellen dat God doorgaans gebruik zou maken van zaken die zeer vreemd zijn aan geestelijke affecties en die listige tekenen zijn van Satan, en sterk rieken naar de bodemloze put, als schone beelden om de sterke mate van heilige en hemelse affecties te laten zien.

III. Het is geen bewijs dat affecties werkelijk voortkomen uit genade, of juist niet, dat zij, in wie ze plaats hebben, vaardig, vurig en overvloedig zijn in het spreken van godsdienstige zaken.
Er zijn vele mensen die, als zij dit in anderen zien, met groot vooroordeel tegenover hen worden ingenomen. Dat zij zo vol zijn van spreken is voor hen een genoegzame grond om hen te veroordelen als Farizeeën en opzichtige huichelaars. Aan de andere kant zijn er velen die, als zij deze uitwerking in iemand zien, zo zeer onkundig en onvoorzichtig zijn om meteen maar vast te stellen dat hij een echt kind van God is, die onder de zaligmakende invloed van Zijn Geest verkeert en daarvan spreekt als een machtig getuigenis van zijn nieuwe schepping; zij zeggen:”Zijn mond is nu geopend; hij was altijd traag in het spreken maar nu is hij vol vrijmoedigheid; hij durft zijn hart nu open te leggen en zijn bevindingen te vertellen en de lof van God te verkondigen; hij is in zijn spreken zo vrij als het water van een fontein,” en dergelijke. En in het bijzonder zijn zij geboeid in hun stellige en ontwijfelbare overtuiging dat er zaligmakend in hen gewerkt wordt, als zulken in hun spreken niet alleen vrij en overvloedig maar ook zeer aangedaan en ernstig zijn. 
Dit is echter de vrucht van weinig verstand en geringe ervaring, zoals aan de hand van vele voorvallen kan worden aangetoond, en het is een vergissing die mensen dikwijls maken doordat ze vertrouwen op hun eigen wijsheid en scherpzinnigheid en in plaats van de Heilige Schrifthun eigen gedachten tot regel stellen. Hoewel de Schrift vol is van regels, zowel wat betreft het beoordelen van onze eigen staat, als het geleid worden in onze mening over anderen; toch hebben we nergens een regel, aan de hand waarvan we kunnen verklaren dat men op grond van zo’n uitwerking zich in een goede staat bevindt; want dit is slechts de godsdienst van de mond en de tong, die in de Schrift wordt voorgesteld als de bladeren van een boom, die, hoewel de boom er niet zonder behoort te zijn, toch nergens zijn gegeven als bewijs van de goede aard van de boom. 
Dat mensen geneigd zijn overvloedig te spreken over godsdienstige zaken kan uit zowel een goed als een verkeerd beginsel voortkomen. Het kan zijn dat hun harten zeer vervuld zijn van heilige affecties, “want uit de overvloed des harten spreekt de mond”; het kan ook zijn dat de harten van de mensen vervuld zijn van godsdienstige affecties die niet heilig zijn, want ook dan geldt:”Uit de overvloed des harten spreekt de mond.” Het ligt zeer in de aard van affecties, ongeacht van welk soort en met welk onderwerp, om indien ze sterk zijn mensen aan te zetten tot een veelvuldig spreken over hetgeen, waardoor zij zijn aangedaan; en niet alleen een veelvuldig maar ook een zeer ernstig en vurig spreken. Daarom is het mogelijk, dat het overvloedige en vurige spreken van mensen over godsdienstige zaken slechts hiervan getuigt, dat zij zeer zijn aangedaan door godsdienstige zaken; het is geen bewijs van genade (zoals reeds is aangetoond). Zolang sterke affecties voortduren, zullen mensen ernstig bezig zijn met het onderwerp van hun affecties; ze zullen de neiging hebben deze ernst te tonen in hun spreken en handelen, evenals het merendeel van de Joden, in geheel Judea en Galilea, een tijdlang deed naar aanleiding van de prediking en doop van Johannes de Doper, toen ze zich een tijdlang in zijn licht wilden verheugen; een machtig eerbetoon werd gemaakt, door het gehele land en onder alle soorten mensen wegens deze grote profeet en zijn bediening. En zo vertoonde de schare, op dezelfde wijze, dikwijls een grote ernst, een enorme betrokkenheid van geest, in alles wat uitwendig was, betreffende Christus en Zijn prediking en wonderen, zij versloegen zich over Zijn leer, zij namen met vreugde het Woord aan, soms volgden zij Hem dag en nacht en lieten hun eten, drinken en nachtrust achter om Hem maar te horen; eens volgden zij Hem tot in de woestijn, drie dagen vastten zij om Hem te kunnen horen; soms prezen zij Hem hemelhoog door te zeggen:”Niemand spreekt als Deze!” en zij waren vurig en ernstig in wat zij zeiden. Maar hoe veranderden deze dingen in het merendeel van hen!
De mond van een mens kan overlopen van het spreken van zijn bevindingen, doorgaans op iedere plaats en in elk gezelschap; en wanneer dit het geval is, is het eerder een slecht dan een goed teken; evenals een boom die al te vol van bladeren is zelden veel vruchten draagt; en evenals een wolk die, hoewel vol van water, door een al te sterke wind wordt voortgedreven, het droge en dorstige land zelden veel regen geeft. Het behaagt de Heilige Geest  verscheidene malen dit beeld te gebruiken, wanneer Hij spreekt van een grote vertoning van godsdienst met de mond zonder dat het leven de vruchten hiervan laat zien: Spreuken 25:14: “Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.” En de apostel Judas spreekt van sommige mensen die eertijds waren ingeslopen onder de heiligen; door hun grote vertoning van godsdienst werden zij een tijdlang niet gewantrouwd. “Zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden,” Judas: 4 en 12. En als de apostel Petrus van dezelfde zaak spreekt, zegt hij, 2 Petrus 2:17: “Dezen zijn waterloze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven.”
Valse affecties hebben veel meer de neiging zich te vertonen dan ware affecties, indien ze even sterk zijn; want het is de aard van valse godsdienst zich graag te vertonen om maar te worden opgemerkt, evenals bij de Farizeeën het geval was.

IV. Het is geen teken dat de affecties uit genade voortkomen, of niet, dat mensen ze niet zelf voortbrengen, noch ze door hun vernuft en inspanning opwekken.

Er zijn er velen in deze dagen die alle affecties veroordelen, die in de mens ontstaan op een manier, waarvan hij zelf geen rekenschap kan geven, – die geen vrucht lijken te zijn van eigen inspanningen, – die geen natuurlijk gevolg lijken te zijn van de vermogens en principes van de menselijke natuur in bepaalde omstandigheden en onder bepaalde middelen, maar die de vrucht lijken te zijn van een inwendige en bovennatuurlijke kracht in hun gemoed. Hoezeer is de leer van de innerlijke ondervinding, of gevoelige gewaarwording van de onmiddellijke kracht en werking van Gods Geest, de laatste tijd door velen afgekeurd en bespot! Zij zeggen dat het de wijze van Gods Geest is om in een stille, verborgen en onmerkbare weg met ons mee te werken wanneer wij ons inspannen en de middelen gebruiken; zodat wij niet kunnen onderscheiden tussen de invloeden van Gods Geest en de natuurlijke werking van de vermogens van ons gemoed.
En het is waar dat het een redeloze verwaandheid is, wanneer iemand verwacht de zaligmakende invloeden van Gods Geest te zullen ontvangen terwijl hij intussen het nauwgezet gebruik van de ingestelde genademiddelen veronachtzaamt. En het is geestdrijverij, wanneer iemand verwacht dat Gods Geest zaligmakend zal werken in zijn gemoed zonder dat de Geest gebruik maakt van de middelen, die dienstbaar zijn aan dit werk. Het is ook zeker waar dat de weg en de omstandigheden, waarin Gods Geest werkt, zeer verscheiden zijn, en dat Hij bij sommigen meer verborgen en geleidelijk werkt en vanuit een geringer beginsel dan bij anderen. Maar als er inderdaad een Kracht is die buiten onze kracht staat en daarvan geheel verschillend is; een Kracht die ver uitstijgt boven de kracht van alle middelen en werktuigen en de kracht van de natuur; een Kracht die nodig is om de zaligmakende genade in het hart voort te brengen, overeenkomstig de algemene belijdenis van het land, dan is het beslist geenszins onredelijk om te aan te nemen dat deze Kracht zeer gewoonlijk op een manier werkt, die het zeer duidelijk, zichtbaar en merkbaar maakt dat het Zijn werk is. Wanneer genade inderdaad voortkomt uit een sterke en krachtdadige werking van een bewerker of goddelijke kracht buiten ons, waarom is het dan onredelijk om aan te nemen dat het voor degenen die er het onderwerp van zijn, dit ook zo lijkt te zijn? Is het iets vreemds wanneer iets lijkt te zijn zoals het is? Wanneer genade in het hart werkelijk niet door onze kracht wordt teweeggebracht, noch het werk is van de natuurlijke kracht van onze vermogens, of van enige middelen of werktuigen, maar echt het werk is van de Geest van de Almachtige, is het dan een vreemde en onverklaarbare zaak, dat het voor degenen die er het voorwerp van zijn overeenkomstig de waarheid lijkt en er niet mee in strijd; zodat als iemand vertelt van een werk dat hij in zijn gemoed ondervindt, dat hem geen uitwerking lijkt te zijn van een natuurlijke kracht of werking van zijn gemoed maar van de bovennatuurlijke kracht van een bewerker buiten hem, zou men dit dan meteen moeten beschouwen als een zeker bewijs dat hij zich bedriegt, omdat de dingen voor hem lijken te zijn zoals ze werkelijk zijn? Want dit is de tegenwerping die wordt gemaakt: men beschouwt het als een duidelijk bewijs, dat de gewaarwordingen en affecties die vele mensen hebben niet werkelijk een dergelijke oorzaak hebben, omdat het hun toeschijnt dat ze die oorzaak hebben. Zij betuigen dat hun ondervindingen duidelijk niet van henzelf lijken te zijn, maar van de vermogende kracht van Gods Geest; en anderen veroordelen hen hierom, en stellen vast dat hun ondervindingen niet van Gods Geest zijn, maar van henzelf of van de duivel. Zo onredelijk worden tegenwoordig velen door hun naasten behandeld!
Indien het werkelijk is, zoals de Schrift ons overvloedig leert, dat de genade in de ziel zozeer het werk van Gods kracht is, dat ze goed vergeleken kan worden met die werkingen die aan geen enkele kracht in het onderwerp toegeschreven kunnen worden, zoals een geboorte of een geboren worden, een opwekking of een opgewekt worden uit de doden, een schepping of een worden voortgebracht uit niets tot iets, en dat ze een werk is waarin Gods macht grotelijks wordt verheerlijkt, en de uitnemende grootheid van Zijn kracht wordt geopenbaard, Efeze 1:17-20; waarom zou Almachtige in zo’n groot werk van Zijn kracht dan zo zorgvuldig Zijn kracht moeten verbergen, dat de onderwerpen ervan niet in staat zouden zijn er iets van te bespeuren? Of welke reden of openbaring heeft iemand om vast te stellen dat Hij zo doet? Als we mogen oordelen volgens de Schrift, komt dit niet overeen met de wijze waarop God werkt en beschikt; integendeel, het is Gods wijze in de grote werken van Zijn kracht en genade die Hij werkt voor Zijn volk om de dingen zo te beschikken dat Zijn hand zichtbaar wordt, en dat Zijn kracht wordt gezien, en dat de afhankelijkheid van de mens van Hem het meest duidelijk wordt, opdat geen vlees zou roemen voor Hem, 1 Cor. 1:27-29, opdat God alleen zou worden verhoogd, en opdat de uitnemendheid der kracht van God zou zijn en niet uit de mens, en opdat Christus’ kracht in onze zwakheid zou worden volbracht, en opdat niemand zou zeggen: mijn hand heeft mij verlost, Jes.2:11-17, 2 Cor. 4:7, 2 Cor. 12:9, Richt.7:2. Zo ging het in de meeste tijdelijke verlossingen die God voor het oude Israel teweegbracht, die voorbeelden waren van de verlossing van Gods volk van hun geestelijke vijanden. Zo ging het in de verlossing van Israel uit de Egyptische slavernij; Hij verloste hen door een sterke hand en een uitgestrekte arm; en opdat Zijn kracht des te meer zichtbaar zou zijn, liet Hij toe dat Israel eerst in de meest hulpeloze en troosteloze omstandigheden werd gebracht. Zo ging het in de grote verlossing door Gideon; God wilde dat zijn leger tot een handvol werd verkleind, en dat zij geen andere wapens zouden hebben dan bazuinen en fakkels en aarden kruiken. Zo ging het in de bevrijding van Israel van Goliath, door een jongeling met een slinger en een steen. Zo ging het in dat grote werk van God, Zijn roeping en bekering van de heidenen na Christus’ hemelvaart, nadat de wereld met haar wijsheid God niet had gekend, en alle pogingen van filosofen om de wereld te verbeteren vele eeuwen lang ijdel waren gebleken, en het door alle dingen overduidelijk was geworden dat de wereld door helemaal niets kon worden geholpen dan door de macht van God. En zo ging het in de meeste bekeringen van afzonderlijke personen, waarvan we de geschiedenis van het Nieuwe Testament getuigt: er werd in hen niet gewerkt op een stille, verborgen, geleidelijke en onmerkbare manier, zoals men thans voorstaat; maar met de duidelijke blijken van een bovennatuurlijke kracht, die op wonderbare wijze een plotselinge, grote verandering in hen teweeggebracht, wat in deze dagen wordt beschouwd als een stellig bewijs van bedrog en geestdrijverij.
De apostel spreekt in Efeze 1:18,19 van God, Die het verstand van de christenen verlicht en hen tot het geloof in Christus brengt, met het doel dat ze zouden weten wat de uitnemende grootheid van Zijn kracht is in hen die geloven. De woorden zijn:”Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen; en welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht,” enz. Wanneer nu de apostel ervan spreekt dat ze in hun verlichting en krachtdadige roeping het onderwerp van de kracht Gods zijn, met het doel dat zij zouden weten wat de grootheid van Zijn kracht is aan hen die geloven, kan hij niets anders bedoelen dan “opdat zij zouden weten bij ondervinding”. Maar indien de heiligen deze kracht kennen bij ondervinding, dan voelen en merken zij dat deze duidelijk onderscheiden is van de natuurlijke werkingen van hun eigen gemoed, wat niet overeenkomt met het denkbeeld dat Gods werking zo verborgen en onmerkbaar zou zijn, dat degenen die er het onderwerp van zijn niets weten van een kracht buiten hen die in hen werkt, dan wat zij kunnen beredeneren uit de gegevens in de Schrift; wat geheel iets anders is als een weten bij ondervinding. 
Het is dus zeer onredelijk en onschriftuurlijk om vast te stellen dat affecties niet het gevolg zijn van de genadige werking van Gods Geest, wanneer zij die er het onderwerp van zijn merken dat ze niet uit henzelf voortkomen.
Aan de andere kant wordt niet bewezen dat affecties uit genade voortkomen, wanneer ze niet door de mensen zelf die er het onderwerp van zijn worden teweeggebracht, of wanneer ze in hun gemoed ontstaan op een wijze waarvan zij geen rekenschap kunnen geven. 
Sommigen mensen maken dit tot een reden om zichzelf gerust te stellen. Wanneer zij spreken over wat zij ondervonden hebben, zeggen zij:”Ik ben er zeker van dat ik het niet zelf heb voortgebracht; het was geen gevolg van mijn eigen vernuft of inspanning; het kwam in mij terwijl ik er helemaal niet aan dacht; ik ben niet in staat het nog eens voort te brengen, al zou men mij er alles voor geven.” En daarom stellen zij vast dat wat zij hebben ondervonden het gevolg moet zijn geweest van de machtige werking van Gods Geest, en dat het van een zaligmakende aard was; dit is echter ongegrond en een blijk van onkunde. Het kan weliswaar zo zijn dat hetgeen, waarvan zij het onderwerp waren, niet rechtstreeks hun eigen werk was maar dat van een onzichtbare bewerker, een geest buiten die van henzelf; maar hieruit volgt nog niet dat dit de Geest van God was. Er zijn naast de Heilige Geest nog andere geesten die invloed uitoefenen op het gemoed van de mens. We worden vermaand niet iedere geest te geloven maar de geesten te beproeven of zij uit God zijn. Vele valse geesten zijn zeer druk bezig met de mensen: zij veranderen zich dikwijls in engelen des lichts, en op vele wonderbaarlijke manieren bootsen zij, met grote listigheid en macht, de werking van Gods Geest na. En er zijn vele werkingen van Satan, die men zeer duidelijk kan onderscheiden van de vrijwillige werkzaamheden van het menselijk gemoed. Dit geldt voor die gruwelijke en lasterlijke ingevingen, waarmee hij velen achtervolgt, en voor die zinloze angsten en schrikbeelden die hij verwekt. En de kracht van Satan kan even direct en even duidelijk werkzaam zijn in valse vertroostingen en vreugde als in schrikbeelden en gruwelijke ingevingen; en dikwijls blijkt dit ook. Het ligt niet in de macht van de mens om zichzelf in zulke vervoeringen te brengen als die waarvan de Wederdopers in Duitsland en vele andere geestdrijvers het onderwerp waren.
En daarnaast moet worden bedacht dat mensen indrukken in hun gemoed kunnen hebben die niet door henzelf, noch door een boze geest, maar door Gods Geest zijn voortgebracht, en die toch geen zaligmakend maar slechts een algemeen werk van Gods Geest zijn. Wie zulke indrukken heeft, behoort mogelijk tot degenen, waarvan we lezen in Hebr. 6: 4 en 5: “die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw”, en die toch geheel onbekend zijn met die betere dingen, die met de zaligheid gevoegd zijn, waarvan vers 9 spreekt. 
En ook wanneer noch een goede noch een boze geest er een directe hand in heeft, kunnen mensen, in het bijzonder die met een zwakke lichamelijke gesteldheid, een zwak verstand en een grote vatbaarheid voor indrukken, vreemde gewaarwordingen en inbeeldingen hebben, vergezeld van sterke affecties, die onverklaarbaar opkomen en niet vrijwillig door hen zijn teweeggebracht. We zien dat deze mensen wat tijdelijke zaken aangaat vatbaar zijn voor zulke indrukken; en er is geen reden waarom dit niet evengoed zou kunnen wanneer het geestelijke zaken betreft. Zoals iemand die slaapt dromen kan hebben, die hij niet vrijwillig voortbrengt, zo kunnen deze mensen op dezelfde manier tijdens hun waken indrukken hebben, die zij niet vrijwillig voortbrengen.


V. Het is geen teken dat godsdienstige affecties waarlijk heilig en geestelijk zijn, of niet, dat ze gepaard gaan met teksten uit de Schrift, die op een opmerkelijke wijze in de gedachten worden gebracht.

Dat affecties veroorzaakt worden door het plotseling opkomen van Schriftplaatsen in de gedachten, is geen teken dat deze affecties niet uit genade voortkomen, mits het de Schrift zelf is of de waarheid, in de Schrift vervat en onderwezen, die de grond van de affectie is, en niet alleen of voornamelijk de plotselinge en ongebruikelijke manier waarop zij in de gedachte komt. 
Maar aan de andere kant is het ook geen bewijs dat affecties wel uit genade voortkomen, dat ze ontstaan doordat Schriftplaatsen plotseling en op wonderlijke wijze in de gedachten opkomen, of die affecties nu vrees of hoop zijn, vreugde of zorg, of nog andere. Sommigen schijnen dit te beschouwen als een zeker bewijs dat hun affecties zaligmakend zijn, vooral wanneer zo’n affectie hoop of blijdschap is, of een andere die hen behaagt en verheugt. Als bewijs dat alles goed met hen is voeren zij aan, dat hun ondervinding vanuit het Woord kwam. Zij zeggen:”Die en die zoete belofte werd in mijn gedachten gebracht; zij kwam onverwachts, alsof zij tot mij gesproken werd. Het was geheel buiten mijn toedoen dat die tekst in mijn gedachten kwam; ik dacht niet aan iets wat er aanleiding toe gaf; het kwam allemaal opeens, zodat ik erdoor verrast was. Ik had lange tijd niet aan die tekst gedacht; ik wist eerst niet eens dat het een Schriftplaats was; ik herinnerde mij niet dat ik deze ooit had gelezen.” En misschien zullen zij eraan toevoegen:”De ene Schriftplaats na de andere kwam in mij op, teksten uit de gehele Bijbel, de liefelijkste, de aangenaamste, de passendste die men zou kunnen bedenken. Zij vervulden mij geheel, ik kon niets anders meer dan staan en bewonderen, de tranen stroomden, ik was vol van blijdschap en kon niet langer twijfelen.” En zo menen zij een zeker bewijs te hebben dat hun affecties van God afkomstig zijn, en dat ze van de goede soort zijn, en dat ook hun staat goed is; – maar zonder goede gronden. Hoe komen ze aan zo’n regel, die zegt dat wanneer affecties of ondervindingen samengaan met beloften en vertroostende Schriftplaatsen die zonder eigen toedoen op onverklaarbare wijze in de gedachten komen, of wanneer vele liefelijke teksten achtereenvolgend in de gedachten opkomen, dit een vast bewijs is dat de ondervindingen zaligmakend zijn? Waar kan zo’n regel in de Bijbel worden gevonden, de grote en enige betrouwbare leidraad in dingen van deze aard?
De redenering, die velen met wat minder begrip en voorzichtigheid misleidt, schijnt deze te zijn: De Schrift is het Woord van God, en daarin is niets verkeerd, alles is zuiver en volmaakt; en daarom moeten die bevindingen die uit de Schrift voortkomen ook goed zijn. Maar dan zou men moeten overwegen, dat affecties naar aanleiding van de Schrift kunnen ontstaan, terwijl ze er geen ware vrucht van zijn, zodat ze geen gevolg van een goed gebruik van de Schrift maar van misbruik ervan zijn. Alles wat men kan afleiden uit de zuiverheid en volmaaktheid van Gods Woord met betrekking tot ondervindingen, is dit, dat de bevindingen die overeenstemmen met Gods Woord goed zijn en dit niet anders kunnen zijn; – niet dat alle affecties goed zijn die ontstaan naar aanleiding van Gods Woord dat in de gedachten komt.
Waarom zou de duivel geen Schriftplaatsen in de gedachten kunnen brengen, en ze kunnen misbruiken om mensen te bedriegen? Hierin schijnt niets te zijn wat de macht van Satan tebovengaat. De kracht die nodig is om klanken en woorden in de gedachten van mensen is niet zo groot dat deze alvermogend moet zijn. Indien Satan macht heeft om woorden of klanken in de gedachten van mensen te brengen, heeft hij ook wel macht om woorden die in de Bijbel te staan in de gedachten te brengen. Er is voor een mens niet meer kracht nodig om de klanken van een Schriftplaats voort te brengen dan die van een praatje of een versje. En zo is Satan, die de macht heeft één van die laatste klanken in de gedachten te brengen, ook in staat om Schriftplaatsen in de gedachten te brengen: de verschillende betekenis van de woorden, die geheel van het gebruik afhangt, verandert niets aan de mogelijkheid om de klanken of woorden in de gedachten te brengen. Of meent iemand dat Bijbelteksten of Schriftgedeelten zo heilig zijn dat de duivel ze niet durft te misbruiken noch ze aan te raken? Dan vergist hij zich. De duivel die zo stoutmoedig was de volmaakte Christus Zelf aan te randen, en Hem herwaarts en derwaarts te leiden, eerst de woestijn in, daarna een hoge berg op, toen naar de tinne des tempels, is ook niet bang de Schrift aan te raken en te misbruiken om zijn doel te bereiken; zoals hij liet zien toen hij zo stoutmoedig met Christus handelde, en de ene Schriftplaats na de ander voor Zijn aandacht bracht om Hem te bedriegen en te verleiden. En als Satan het waagde, en het hem ook toegelaten werd, Christus Zelf Schriftplaatsen in de gedachten te brengen, opdat hij Hem zou misleiden, waarom zou hij het niet wagen of zou het hem niet worden toegelaten om zondige mensen Schriftplaatsen in de gedachten te brengen, opdat hij hen zou verleiden en bedriegen? En als Satan zodoende de ene Schriftplaats kan misbruiken, dan kan hij het ook de andere. Het feit dat het een zeer uitmuntende Schriftplaats is, een troostvolle en kostbare belofte, verandert de zaak niet ten opzichte van de stoutmoedigheid en de macht van de duivel. En als hij een enkele troostvolle tekst in de gedachten kan brengen, dan kan hij zo ook met duizend teksten doen; en hij kan die Schriftplaatsen uitkiezen die het meest aan zijn doel beantwoorden; hij kan ze op een verdorven wijze toepassen door een arme zondaar de ene Bijbelse belofte na de andere tebinnenbrengen, waardoor op wonderbare wijze alle twijfel wordt verbannen en de valse vreugde en hoop bevestigd wordt.
We weten dat de werktuigen van de duivel, valse en ketterse leraars, de Schrift verdraaien tot hun eigen verderf en dat van anderen, 2 Petrus 3:16. We zien dat zij daartoe uit de gehele Schrift teksten aanwenden: er is geen Bijbelplaats zo kostbaar en heilig of hun wordt toegestaan deze te misbruiken tot het eeuwig verderf van talloze zielen; en er zijn geen wapens waarmee ze een grotere slachting aanrichten. En er is geen reden om vast te stellen dat de duivel niet wordt toegestaan op dezelfde wijze de Schrift te misbruiken als zijn werktuigen doen. Want wanneer de laatsten het doen, doen zij het als zijn werktuigen en dienaren, door hem aangedreven en gestuurd; en ongetwijfeld doet hij hetzelfde als hij anderen aandrijft te doen; de dienaren van de duivel volgen slechts hun meester en doen hetzelfde werk als hij zelf doet. 
En als de duivel de Schrift kan misbruiken om mensen te bedriegen en hen om te brengen, dan kunnen de dwaasheid en verdorvenheid van de mens zelf dit even goed. De zonde die in de mens woont handelt als haar vader. De harten van de mensen zijn bedriegelijk, evenals de duivel, en ze gebruiken dezelfde middelen om te bedriegen als hij. 
Hieruit blijkt duidelijk dat mensen sterke affecties als hoop en blijdschap kunnen hebben, die ontstaan naar aanleiding van Schriftplaatsen; ja, ze kunnen onverwachts kostbare beloften uit de Schrift ontvangen, op een opmerkelijke wijze alsof ze tot hen gesproken werden; ja, zelfs kan een grote hoeveelheid van zulke teksten elkaar op een wonderbaarlijke manier opvolgen; terwijl al deze dingen niet bewijzen dat deze affecties van God komen en geen gevolg zijn van de misleidingen van Satan. 
En ik wilde verder nog opmerken dat mensen een grote blijdschap kunnen ondervinden, die niet alleen ontstaat naar aanleiding van Gods Woord maar zelfs door dat Woord; het is een blijdschap die niet van Satan afkomstig is en ook niet echt een gevolg is van de verdorvenheid van hun eigen hart, maar een blijdschap die ontstaat door de werking van Gods Geest Die Zich met het Woord paart; en toch is de ondervinding van deze blijdschap geheel vreemd aan het wezen van de ware en zaligmakende godsdienst. Zo kenden de hoorders die met de stenen grond vergeleken worden een grote blijdschap vanwege het Woord. Ja, hun blijdschap kwam voort uit het Woord, zoals de plant voortkomt uit het zaad. Hun affecties leken sterk op een plant in de goede aarde. Het verschil kwam pas openbaar in een tijd van beproeving; toen bleek dat deze affecties niet ontstonden uit een zaligmakende godsdienst.


VI. Dat in godsdienstige affecties zich liefde openbaart, is geen bewijs dat ze zaligmakend zijn, of niet.

Er zijn geen belijdende christenen die doen alsof dit een bewijs is tegen de echtheid en zaligmakende natuur van godsdienstige affecties. Maar aan de andere kant zijn er sommigen die veronderstellen dat het een goed bewijs is dat affecties afkomstige zijn van de heiligende zaligmakende invloeden van de Heilgie Geest. Hun argument is dat Satan niet kan liefhebben, deze affectie zijnde rechtstreeks tegengesteld aan de duivel wienst natuur is vijandschap en haat. En het is waar dat niets meer voortreffelijk, hemels en goddelijk is dan een geest van ware christelijke liefde tot God en mensen; zij is voortreffelijker dan kennis, of profetie, of wonderen, of het spreken in de talen van mensen en engelen. Zij is de voornaamste van de gaven van Gods Geest en het leven, het wezen en de som van alle ware godsdienst; en dat waardoor we het meest aan de hemel gelijkvormig worden, en het meest tegengesteld aan de hel en de duivel. Maar toch is het een foute redenering van hier dat er geen vervalsingen van zijn. Er kan worden opgemerkt dat hoe voortreffelijker iets is, des te meer vervalsingen zijn ervan. Zo zijn er van zilver en goud veel meer vervalsingen  dan van ijzer en koper; er zijn vele valse diamanten en edelstenen, maar wie gaat op zoek naar vervalsingen van gewone stenen? Hoewel het waar is dat hoe uitnemender iets is, des te moeilijker het is na te maken met dezelfde natuur en dezelfde innerlijke kwaliteiten, toch zullen er dan ook des te meer vervalsingen van zijn, en er zal des te meer listigheid en geslepenheid worden vertoond in een nauwgezette nabootsing van de uitwendige schijn. Zo is het het meest gevaarlijk om te worden bedrogen bij het kopen van medicijnen die zeer uitnemend en probaat zijn, ook al zijn deze het moeilijkst na te maken en kunnen deze vervalsingen ons geen enkel goed doen. Zo is het ook met christelijke deugden en genadegaven; de listigheid van de satan, en de bedriegelijkheid van het menselijk hart, zijn doorgaans het meest werkzaam om die dingen te vervalsen die het meest worden hooggegeschat. Dus zijn er mogelijk geen genadegaven die meer vervalst worden dan liefde en ootmoed, omdat in deze deugden de schoonheid van een ware christen in het bijzonder openbaar komt.
Maar wat de liefde aangaat: het is in de Schrift duidelijk dat mensen een vorm van godsdienstige liefde kunnen bezitten, en toch geen zaligmakende genade kennen. Christus spreekt van vele belijdende christenen die zulke liefde hebben, wiens liefde niet zal voortduren, en die niet zalig zullen worden, Matth. 24: 12,13:”En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zal de liefde van velen verkouden. Maar wie zal volharden tot het einde, die zal zalig worden.” De laatste woorden tonen duidelijk dat zij van wie in het voorgaande gesproken was, en wiens liefde niet tot het einde zou standhouden maar zou verkouden, niet zalig zouden worden. 
Mensen kunnen liefde lijken te hebben tot God en Christus, ja, een zeer sterke en hevige liefde zelfs, en toch geen genade bezitten. Want dit was duidelijk het geval met de vele Joden die geen genade kenden en toch Jezus zeer hoog prezen, Hem dag en nacht volgden, zonder te eten, te drinken en te slapen, en zeiden:”Heere, ik zal U volgen waar Gij ook henen gaat,” en riepen:”Hosanna den Zone Davids!”
De apostel schijnt te kennen te geven dat er velen waren in zijn dagen die een nagemaakte liefde tot Christus hadden, in Efeze 6:24:”De genade zij met al degenen die onzen Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid.” Het laatste woord toont dat de apostel er zich van bewust was dat er velen waren die een vorm van liefde tot Christus hadden, die niet zuiver en geestelijk was. 
Zo kan ook de christelijke liefde tot Gods volk worden nagebootst. Uit de Schrift blijkt duidelijk dat er sterke hartstochten van deze soort kunnen zijn zonder zaligmakende genade, zoals het geval was bij de Galaten die hun ogen wilden uitsteken om ze aan de apostel Paulus te geven; hoewel de apostel zijn vrees uitspreekt dat hun affecties vergeefs tot niets waren gekomen, en dat hij wellicht vergeefs aan hen gearbeid had, Gal. 4: 11,15.


VII. Als in een mens vele soorten godsdienstige affecties elkaar vergezellen, is dit niet voldoende om uit te maken of de affecties uit genade voortkomen, of niet.

Hoewel valse godsdienst doorgaans verminkt en walstaltig is, en niet die volkomenheid en evenwichtigheid heeft die in de ware godsdienst gevonden wordt, kan er toch een grote verscheidenheid aan valse affecties elkaar vergezellen, waardoor het lijkt of de affecties uit genade voortkomen.
Het is duidelijk dat allerlei soorten affecties nagebootst kunnen worden, zoals liefde tot God, en liefde tot de broederen, zoals zojuist is aangetoond, zo ook goddelijke droefheid over de zonde, zoals bij Farao, Saul en Achab en bij de kinderen Israels in de woestijn, Ex. 9:27, 1 Sam. 24: 16,17 en 26:21, 1 Kon. 21:27, Num. 14: 39,40; zo ook de vreze Gods, zoals bij de Samaritanen, “die den Heere vreesden, en ook hunne goden dienden”, 2 Kon. 17: 32,33; en die vijanden van God waarvan we lezen in Psalm 66:3:”Om de grootheid Uwer sterkte, o God, zullen zich Uwe vijanden u geveinsdelijk onderwerpen”, of zoals in het Hebreeuws staat: “zich onder hen leggen”, d.w.z. 
een nagebootste eerbied en onderworpenheid voorwenden. Zo ook dankbaarheid, zoals bij de kinderen Israels, die Gods lof zongen aan de Rode Zee, Psalm 106:12; en Naäman de Syriër, na de wonderlijke genezing van zijn melaatsheid, 2 Kon. 5:15, enz.
Zo ook geestelijke blijdschap, zoals bij de hoorders die aan de stenen grond gelijk waren, Matth. 13:20, en in het bijzonder velen van de toehoorders van Johannes de Doper, Joh. 5:35. Zo ook godsdienstige ijver, zoals bij Jehu, 2 Kon. 10:16, en bij Paulus voor zijn bekering, Gal. 1:14, Fil. 3:16, en de ongelovige Joden, Hand. 22:3, Rom. 10:2. Zo kan een mens zonder genade een vurig godsdienstig verlangen hebben, gelijk Bileam, die zijn begeerte uitsprak toen hij een buitengewoon zicht had op de gelukkige toestand van Gods volk, in onderscheid van de rest van de wereld, Num. 23: 9,10. Zij kunnen ook een sterke hoop hebben op het eeuwige leven, gelijk de Farizeeën. 
En als de natuurlijke mens ontvankelijk is voor allerlei soorten godsdienstige affecties, dan verhindert hem niets om vele affecties tegelijkertijd te ontvangen. En de ondervinding toont overvloedig aan dat dit dikwijls ook gebeurt. Het schijnt in het algemeen zo te zijn dat, wanneer valse affecties een hoge trap hebben bereikt, vele valse affecties elkaar vergezellen. De schare die Christus vergezelde op weg naar Jeruzalem, na dat grote wonder van de opwekking van Lazarus, scheen door vele godsdienstige affecties tegelijk te zijn aangedaan die alle een hoge trap hadden bereikt. Ze schenen vol van bewondering te zijn; ze gaven blijk van een sterke liefde en ook van een grote eerbied, door hun klederen op de weg te spreiden zodat Christus daarover kon treden; en ook van een grote dankbaarheid jegens Hem voor de grote en goede werken die Hij had gedaan, Hem prijzende met luider stem vanwege Zijn heil. Zij toonden een vurig verlangen naar de komst van het Koninkrijk Gods, waarvan zij verwachtten dat Jezus nu gereed stond het op te richten, en een sterke hoop, verwachtende dat het onmiddellijk geopenbaard zou worden; en vandaar werden zij vervuld met vreugde, waardoor zij zo werden aangedaan dat de klank van hun geroep de gehele stad in beweging bracht; en zij vertoonden een grote bereidheid en ijver om Jezus te vergezellen en bij te staan, opdat Hij tijdens het grote Paasfeest zonder uitstel Zijn koninkrijk zou oprichten. En uit de natuur van affecties is gemakkelijk te verklaren waarom een sterke affectie een andere opwekt; in het bijzonder als die sterke affectie een nagebootste liefde is, zoals het geval was bij de menigte die “Hosanna” riep. Deze hartstocht brengt van nature vele andere affecties voort. Liefde is namelijk, zoals eerder opgemerkt, de voornaamste affectie, en als het ware de bron van alle andere.
Stelt u zich iemand voor die gedurende enige tijd door hevige angsten is aangedaan vanwege de verschrikkingen der hel, wiens hart verzwakt is door smart en bekommernis, en die op het punt staat te wanhopen; en die ineens hiervan verlost wordt doordat hem, door een bedrog van Satan, gegeven wordt te geloven dat God hem vergeven heeft, en hem aanneemt als het voorwerp van Zijn kostbare liefde, en hem het eeuwige leven belooft, als door een gezicht, of een krachtig idee of voorstelling, plotseling in hem opgewekt, van een persoon met een zeer schone verschijning, lachend naar hem, en met uitgebreide armen, en met neerdruppelend bloed, waarvan hij denkt dat het Christus is, zonder enige andere verlichting van het verstand om een zicht te geven op de geestelijk goddelijke voortreffelijkheid van Christus en Zijn volheid, en van de weg der zaligheid die in het evangelie wordt geopenbaard,



Deel III – Wat de onderscheidende kenmerken zijn van affecties die heilig zijn en een vrucht zijn van genade

(…)
Affecties die werkelijk geestelijk zijn en vrucht zijn van genade komen voort uit die invloeden op en werkingen in het hart die geestelijk, bovennatuurlijk en goddelijk zijn.
Ik zal uitleggen wat ik met deze woorden bedoel; daaruit zal blijken hoe hierdoor onderscheid kan worden gemaakt tussen affecties die geestelijk zijn en affecties die dit niet zijn.
We zien dat ware heiligen, of zij die zijn geheiligd door Gods Geest, in het Nieuwe Testament geestelijke mensen worden genoemd. 


Bron: Jonathan Edwards, The Religious Affections (eigen vertaling) P.S.  Inmiddels is er een complete nieuwe vertaling verschenen van de hand van dhr. J. Zeeman onder de titel: Religieuze gevoelens