De christen-pelgrim

1. Inleiding

“…en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken.” 
Hebr. 11: 13b, 14



De apostel Paulus laat hier zien hoe heerlijk de genade van het geloof is. 
Hij laat zien wat de uitwerking van het geloof was bij de heiligen van het Oude Testament. 
In het voorgaande deel van dit hoofdstuk heeft hij gesproken over Abel, Henoch, Noach, Abraham en Sara, Izaak en Jakob. Na het noemen van deze voorbeelden, merkt hij op dat “deze allen in het geloof zijn gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.” Enz.
In deze woorden schijnt de apostel in het bijzonder de aandacht te vestigen op Abraham en Sara en hun verwanten die met hen meekwamen uit Haran, en uit Ur der Chaldeeen, zoals blijkt uit vers 15, waar de apostel zegt:”En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weder te keren.” 

Twee dingen willen we hier opmerken:
1. Wat deze heiligen van zichzelf beleden, namelijk “dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren”.
Zo hebben we een bijzonder verslag van Abraham:”Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u”. En zo schijnt het algemene gevoelen van de patriarchen te zijn geweest. Dit kunnen we opmaken uit hetgeen Jakob tegen Farao zegt. “En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen” (Gen. 47:9).
“Want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders” (Ps. 39:13).

2. De conclusie die de apostel hieruit trekt, namelijk dat ze een ander land zochten als hun vaderland. “Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken.” 
Door te belijden dat ze vreemdelingen zijn, laten ze duidelijk weten dat hier hun vaderland niet is. Hier is niet hun thuis.
En door te belijden dat zij pelgrims zijn, laten ze duidelijk weten dat zij hier geen vast verblijf hebben. Zij hebben hun oog op een ander vaderland gevestigd. Dat zoeken zij, daar gaat hun reis naar toe. 

2. Ons leven moet een pelgrimsreis zijn

Enkele dingen wil ik hier opmerken.

1. We moeten niet onze rust vinden in de wereld en haar vreugde, maar we moeten verlangen naar de hemel. We moeten “eerst het Koninkrijk van God zoeken”. Boven alle dingen moet er een verlangen zijn naar de hemelse blijdschap. Dat is een verlangen om met God te zijn en om bij Jezus Christus te wonen. 
Wellicht zijn we omringd met uitwendige vreugde. We hebben onze familie en goede vrienden en kennissen. We beleven groot genoegen in het gezelschap van onze vrienden. We hebben kinderen met veelbelovende kwaliteiten. We hebben goede buren en we zijn algemeen geliefd. Toch moeten we niet onze rust vinden in zulke dingen. Sterker nog: we moeten ernaar verlangen om op Gods tijd dit alles te verlaten. 
We mogen deze dingen bezitten, ons erin verheugen en ze gebruiken. Maar we moeten er geen andere bedoeling mee hebben dan ze meteen achter te laten, wanneer we daartoe geroepen worden. En dan moeten we ze gewillig en met vreugde inruilen voor de hemel. 
Wie op reis is, kan onderweg aangename dingen tegenkomen. Maar dat betekent niet dat hij daar maar blijft. Hij trekt langs mooie plaatsen, hij komt langs weiden vol bloemen, hij gaat langs een lommerrijk bos. Toch stelt hij zich hiermee niet tevreden. Hij kijkt ernaar als iemand die op doorreis is en trekt verder. 
Als hij op een schitterende plaats komt, laat hij zich niet verleiden om er te blijven. Nee, hij heeft steeds het doel van zijn reis in gedachten.  
Hij komt in een herberg, waar het aangenaam toeven is. Maar hij denkt er niet over hier te blijven. Hier is immers niet zijn thuis. Hij is hier slechts een vreemdeling. Hij verfrist zich of blijft er die nacht slapen. Dan trekt hij verder. En hij vindt het een fijne gedachte dat hij al zo’n groot deel van de reis heeft afgelegd.

Zo moeten wij meer verlangen naar de hemel dan naar de aangename dingen van dit leven. De apostel noemt het als een bemoedigende, vertroostende overweging voor christenen, dat zij hun blijdschap tegemoet gaan. “Nu is onze blijdschap dichterbij dan toen we geloofden.”
Onze harten moeten los zijn van deze dingen, zoals dat van een man op een reis. Wanneer God ons roept, kunnen we er dan met vreugde afscheid van nemen.
“Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; en die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende; en die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.” (1 Cor. 7:29-31).
Deze dingen zijn ons slechts voor een poosje geleend, om ons te dienen, maar we moeten onze harten op de hemel richten, als onze erfenis voor altijd.

2. We moeten de hemel zoeken door de weg te gaan die daarheen leidt. Dit is een weg van heiligheid. We moeten besluiten en ernaar verlangen om op deze manier daarheen te reizen en niet op een andere wijze. We moeten scheiden van al die vleselijke begeerten die als een last de neiging hebben ons te hinderen.
“Laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is” (Heb. 12:1). Hoe prettig het ook kan zijn om je begeerte te vervullen, je moet deze naast je neer leggen, als ze een hindernis of struikelblok vormt op weg naar de hemel.
We moeten reizen in een weg van gehoorzaamheid aan al Gods geboden, de moeilijke geboden evengoed als de gemakkelijke. We moeten al onze zondige neigingen en begeerten verloochenen. De weg naar de hemel is een stijgende weg. We moeten er genoegen mee nemen dat de reis heuvelop gaat, ook al is dat zwaar en vermoeiend en gaat het tegen de natuurlijke neiging van het vlees in. We moeten Christus volgen. De weg die Hij bewandelde, was de juiste weg naar de hemel. We moeten het kruis op ons nemen en Hem volgen. We moeten de weg gaan in zachtmoedigheid en nederigheid van hart, en in gehoorzaamheid en liefde. We moeten ijverig zijn om goed te doen, en in tegenspoed moeten we geduldig zijn.
De weg naar de hemel is een hemels leven. Het is een navolging van hen die in de hemel zijn. In de hemel is een heilige vreugde in het liefhebben van God en het Lam. Daar worden God en het Lam aanbeden en gediend en geloofd.
Stel dat het mogelijk was naar de hemel te gaan, terwijl we onze begeerten botvieren. Dan moeten we toch liever een weg bewandelen van heiligheid en gehoorzaamheid aan de geestelijke regels van het evangelie. Dat zijn de regels van zelfverloochening. 

3. We moeten voortreizen op deze weg op een manier die afmattend is.
Lange reizen gaan gepaard met gezwoeg en vermoeidheid, vooral als ze door een wildernis gaan. In zo’n geval verwachten de mensen niet anders dan dat ze met ontberingen en vermoeidheid te maken zullen krijgen. 
Zo moeten we reizen op deze weg van heiligheid. We moeten onze tijd en kracht besteden om de moeilijkheden en de hindernissen op onze weg te overwinnen. Het land, waar we doorheen trekken, is een wildernis. Er zijn vele bergen, rotsen en woeste plaatsen waar we langs moeten gaan. Daarom is het nodig dat we ons inspannen. 

4. Ons hele leven moeten we doorbrengen in het bewandelen van deze weg.
We moeten hiermee vroeg beginnen. Zodra een mens hiertoe in staat is, is dit van het eerste belang. Wanneer een mens voor het eerst op weg gaat in de wereld, moet het deze reis zijn die hij maakt. 
En we moeten voortreizen met volharding. Het moet het werk zijn van iedere dag. We moeten vaak denken aan het einde van onze reis. We moeten er ons dagelijks werk van maken om te reizen op de weg die daarheen leidt. 
Iemand die op reis is, denkt vaak aan de plaats van bestemming. Het is zijn dagelijkse zorg en bezigheid om verder te kunnen. Hij gebruikt zijn tijd om het doel van zijn reis te bereiken. 
Zo moet ook de hemel voortdurend in onze gedachten zijn. En we moeten ook steeds denken aan de in- of doorgang die daarheen leidt: de dood. We moeten volharden in deze weg, zolang als wij leven.
“Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.”
Ook al is de weg moeilijk en vermoeiend, we moeten geduldig volhouden en aanvaarden dat we met tegenspoed hebben te maken.
Ook al is de weg lang, toch moeten we niet plotseling halt houden. We moeten volhouden tot we op de plaats aankomen die we zochten. 
We moeten ons ook niet laten ontmoedigen door de lange duur van de reis en de moeilijkheden onderweg. Zo verging het de kinderen Israels; zij wilden terugkeren.
We moeten er ons helemaal op richten om te volharden tot we onze bestemming bereiken.

5. We moeten voortdurend toenemen in heiligheid, waardoor we dichter bij de hemel komen.
We moeten werkzaam zijn om steeds meer te lijken op de inwoners van de hemel, als het gaat om heiligheid en een leven in overeenstemming met God. Maar ook wat betreft de kennis van God en Christus. We moeten werkzaam zijn om een duidelijk zicht te krijgen op de heerlijkheid van God en de schoonheid van Christus. We moeten ook zicht krijgen op de voortreffelijkheid van goddelijke zaken.

En zo komen we al dichter bij de zalige aanschouwing.

We moeten werkzaam zijn om voortdurend te groeien in goddelijke liefde. Laat dit een aanwakkerend vuur mogen zijn in ons hart, totdat ons hart geheel in dit vuur opgaat. Dan zullen we leven in gehoorzaamheid aan God.We zullen hemelse gesprekken voeren. We zullen de wil van God doen op aarde gelijk de engelen in de hemel. We zullen troost ontvangen en geestelijke blijdschap.
Ons pad moet zijn “gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe.”
We moeten blijven hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, ook als we hierin reeds zijn toegenomen. “En als nieuwgeboren kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen.”
De volmaaktheid van de hemel moet ons doel zijn. “Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot de prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.”
 
6. Alle andere belangen van het leven moeten hieraan geheel ondergeschikt zijn.
Wanneer iemand op reis is, zijn alle stappen die hij zet ondergeschikt aan het doel om zijn bestemming te bereiken. En als hij geld of proviand meeneemt, is dat om hem tijdens  zijn reis te kunnen voorzien.
Zo moeten we al onze andere bezigheden en al onze tijdelijke genietingen geheel onderschikken aan de reis naar de hemel.
Wanneer we iets hebben, wat een blok aan ons been of een hindernis voor ons is, moeten we er onmiddellijk afstand van doen. Het gebruik van onze genietingen en bezittingen in deze wereld moet vanuit dat oogpunt zijn en op zo’n manier, dat het bevorderlijk is op onze weg naar de hemel.
We moeten zó onze genietingen en bezittingen gebruiken….
Als we op deze wereld ergens van genieten of als we gebruikmaken van onze bezittingen, dan moet dat bevorderlijk zijn voor onze reis naar de hemel. Zó moeten we eten en drinken, en onszelf kleden. Zó moeten we profijt trekken uit de gesprekken die we met vrienden hebben en zó moeten we genieten van hun gezelschap.
Wat we ons ook voornemen, en wat voor plannen we ook bedenken, we moeten onszelf steeds afvragen of het ons dichter bij de hemel brengt. En als dit niet zo is, dan moeten we onze plannen opzij schuiven.


2. Waarom is het leven van een christen een pelgrimsreis?

1. Deze wereld is niet onze blijvende plaats. Ons verblijf hier is maar heel kort. De dagen van een mens zijn als een schaduw. God heeft deze wereld nooit bedoeld als ons thuis. Evenmin gáf God ons deze tijdelijke woonplaats met dat doel.
Misschien gaf God ons uitgestrekte landgoederen. Misschien gaf Hij ons kinderen of goede vrienden. Maar God gaf ze niet met het doel, dat we ons daarmee een vaste verblijfplaats zouden vormen. Het doel is dat we ze zouden gebruiken voor het heden om ze na een zeer korte tijd achter te laten.
Misschien zijn we geroepen tot een taak in deze wereld. Misschien zijn we bezet met de zorg van een gezin. Maar als we ons leven niet besteden als een reis naar de hemel, zal al onze arbeid toch vergeefs zijn.
Misschien brengen we ons leven wel door op zoek naar tijdelijke blijdschap, zoals rijkdom of zinnelijk genot. Of we zoeken de eer en het aanzien van andere mensen. Of we willen genieten van onze kinderen en ze zien opgroeien en ze gesetteld zien raken, enz.

Maar al deze dingen moeten van geringe betekenis voor ons zijn. De dood zal al onze hoop opblazen en een eind maken aan deze genietingen. “De plaatsen die ons hebben gekend, zullen ons niet meer kennen,” en “het oog dat ons heeft gezien, zal ons niet meer zien.” Eens zullen we van al deze dingen afscheid moeten nemen. Wanneer dat zal zijn, is onzeker. Het kan al spoedig zijn, nadat we ze ontvangen hebben.
En verder, wat hebben we nog aan onze bezigheden en onze genietingen, wanneer we in het stille graf worden gelegd? “Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn.”
 

2. De toekomstige wereld werd bedoeld als onze vaste en altijd blijvende woonplaats. God bestemde voor dat we dáár onze vaste plaats zouden hebben. Daar alleen is een blijvende woning en een blijvende erfenis. Onze huidige toestand is kort en vergankelijk, maar onze toestand in de andere wereld zal altijd blijven. En zoals wij daar zijn bij het begin, zo moeten we zonder verandering blijven. Onze toestand in de toekomstige wereld is eeuwig. En daarom is van zóveel groter belang hoe onze toestand dáár is dan hoe ze hier is. En daarom dienen al onze belangen in deze wereld daaraan geheel ondergeschikt te zijn.

 
3. Alleen de hemel is de plaats, waar ons hoogste doel is te bereiken en waar we ons hoogste goed kunnen verkrijgen. God heeft ons gemaakt voor Zichzelf. “Van Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen.” Daarom bereiken we dán ons hoogste doel, wanneer we tot God worden gebracht: dat is echter door naar de hemel te worden gebracht; want de hemel is Gods troon, de plaats van Zijn bijzondere aanwezigheid.
In deze wereld kunnen we slechts een zeer onvolkomen gemeenschap met God verkrijgen. In het midden van zoveel duisternis kunnen we Hem slecht zeer onvolkomen kennen. Ook kunnen we slechts komen tot een zeer onvolkomen overeenstemming met God.
Hier kunnen we God slechts op een zeer onvolkomen manier dienen en eren. Ons dienen is vermengd met zonde, die God onteert.
Maar wanneer we naar de hemel gaan (als dat eenmaal zo mag zijn), zullen we tot een volkomen eenheid met God gebracht worden. Dan zullen we Hem veel duidelijker mogen aanschouwen. “We zullen Hem zien zoals Hij is.”
Daar zullen we geheel in overeenstemming met God leven, zonder enige overgebleven zonde.
Daar zullen we God volmaakt dienen. We zullen Hem verheerlijken op een verheven wijze, zoveel als het mogelijk is voor onze krachten en de vermogens van onze natuur.
Daar zullen we onszelf volkomen aan God toewijden. Onze harten zullen een reine en heilige offergave zijn, aangeboden in een vuur van goddelijke liefde.
God is het hoogste goed van het redelijke schepsel. De blijdschap in God is de enige blijdschap, die onze zielen kan vullen.
Naar de hemel te gaan, in Hem verblijd te zijn, is oneindig veel beter dan de fijnste dingen op aarde.
U kunt blij zijn met uw vader en uw moeder. U kunt genieten van uw man of uw vrouw, en van uw kinderen. U kunt ervan genieten als u in het gezelschap van uw vrienden bent. Toch zijn het allemaal maar schaduwen van de blijdschap in God. Die blijdschap is het wezen.
U kunt de goede dingen op aarde ook zien als zonnestralen. Het zijn slechts stralen. God Zelf is de zon.
Het zijn slechts stroompjes. God Zelf is de fontein.
Het zijn slechts druppels. God Zelf is de oceaan.
Daarom horen we dit leven door te brengen als slechts een reis naar de hemel. Het zoeken van ons hoogste bestemming moet onze levenstaak zijn. We moeten zoeken naar ons hoogste goed. Alle andere belangen van het leven moeten hieraan ondergeschikt zijn.Waarom zouden we ons voor iets anders inspannen dan voor wat onze eigenlijke bestemming is? En waarom zouden we ons hart tot iets anders aansporen dan tot het vinden van de ware blijdschap?
 
4. Onze huidige toestand heeft God helemaal bedoeld met het oog op een andere wereld.
Deze wereld heeft God gemaakt als een plaats van voorbereiding op de andere wereld. God heeft de mens het sterfelijke leven gegeven, opdat hij zich zou kunnen voorbereiden voor zijn blijvende toestand. En alles wat God ons hier heeft gegeven, gaf hij met dit doel.
De zon schijnt en de regen valt op ons neer. De aarde brengt haar vruchten voort. En dit is allemaal met het oog op de toekomstige wereld.
Burgerlijke en kerkelijke zaken, familieaangelegenheden en al onze persoonlijke belangen hebben slechts dit ene doel. Ze dienen ondergeschikt te zijn aan de toekomstige wereld. Zo heeft de Maker en Beschikker van alle dingen het bedoeld. En daarom moeten ook voor ons al deze dingen van ondergeschikt belang zijn.

3. Het leven een pelgrimstocht

1. Het leven is een pelgrimstocht naar de hemel. Daarom moeten we niet al te zeer bedroefd zijn bij het verlies van een geliefde, als hij in zijn leven het juiste doel voor ogen heeft gehad. Als hij een heilig leven heeft geleid, was zijn leven een reis naar de hemel. En waarom zouden we zozeer bedroefd zijn, als hij het doel van zijn reis heeft bereikt?
Hoewel de dood ons angst aanjaagt, is ze voor hen een grote zegen. Hun einde is gelukkig en beter dan hun begin. “Beter is de dag des doods, dan de dag, dat iemand geboren wordt.”
Toen zij leefden, verlangden zij naar de hemel. Zij verkozen de hemel boven de wereld met zijn genietingen. Naar de hemel hebben zij vurig verlangd.Waarom zouden we treuren nu ze hun wens hebben verkregen?
Ze zijn nu naar het huis van hun Vader gegaan. Zij hebben het nu duizendmaal beter dan toen ze nog op weg waren.
In de wereld hadden ze veel moeiten. Het was een woestijn, waar ze doorheen trokken. Er waren veel moeilijkheden onderweg: bergen en woeste plaatsen. De reis was inspannend en ze hadden veel vermoeiende dagen en nachten. Maar nu zijn ze ingegaan in de eeuwige rust. “En ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zeide:
”Schrijf, zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.”
Zij zien terug op de moeiten, de zorgen en de gevaren. Nu verheugen zij zich dat zij die allemaal hebben overwonnen. 

Wij zijn geneigd de dood als een onheil te zien. Wij zijn geneigd bedroefd te zijn omdat onze geliefden in het donkere graf moeten verblijven. Wij treuren, omdat ze daar overgaan tot ontbinding en de wormen daar hun vlees doorknagen. Wij zijn bedroefd omdat ze zijn weggenomen van hun geliefde kinderen en van hun vreugde. We doen alsof ze nu in een verschrikkelijke toestand zijn. Dat komt door onze zwakheid. Zij zijn juist in een heel gelukkige toestand, ja, onvoorstelbaar gelukkig.
Zij zijn niet bedroefd, maar zij verheugen zich met een onuitsprekelijke vreugde. Hun monden zijn vol van vreugdegezangen. Zij drinken uit de rivieren van gelukzaligheid. Hun blijdschap is pure blijdschap, zonder enige verdriet. Dat komt doordat ze de vreugde van de aarde en het gezelschap van sterfelijke mensen hebben verruild voor de hemel.
Op aarde was hun leven vol tegenslag en vol kwelling, zelfs nog in de beste omstandigheden. Maar nu is aan dat alles een eind gekomen. “Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.” 

Het is waar, in deze wereld zullen we hen niet meer zien. Toch moeten we bedenken dat we op reis zijn naar dezelfde plaats. Waarom zouden we zozeer bedroefd zijn omdat zij vóór ons de hemel zijn ingegaan! Wij volgen hen na en wij hopen eens bij hen te zijn. Dat is, wanneer ook wij aan het einde van onze reis zijn gekomen. Dan zullen we weer bij hen zijn, maar dan in een veel betere toestand. 

Toch mag er wel een zekere mate van droefheid zijn, wanneer een naaste verwante heengaat. Zolang we immers vlees en bloed zijn, hebben we ook vleselijke gevoelens. Maar er is wel reden om deze droefheid te vermengen met blijdschap. “Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.” D.w.z. dat ze niet bedroefd moeten zijn als de heidenen. Die weten immers niet van een toekomstige heerlijkheid. Dit blijkt uit het volgende vers:”Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem.”
 

2. We zagen dat ons leven slechts een reis dient te zijn naar de hemel. Maar wat besteden zij hun leven dan slecht, voor het wie het een reis is naar de hel!
Sommige mensen brengen hun hele leven door in het bewandelen van de brede weg naar het verderf. Ze doen dit vanaf hun jonge kindertijd tot hun sterfdag toe. Naarmate de tijd voortschrijdt, naderen ze steeds dichter de hel. Maar dat niet alleen; ze worden ook met de dag rijper voor het verderf. Ze gaan steeds meer lijken op de inwoners van de hel.
Anderen haasten zich intussen om de smalle weg naar het leven te bewandelen. Die spannen zich in om het pad naar Sion te beklimmen. Die moeten vechten tegen de neigingen van het vlees.
Maar zij gaan in snelle vaart de eeuwige dood tegemoet.


Wordt vervolgd

Wordt vervolgd b.l.e.w.