Jonathan Edwards over de bijzondere gaven van de Heilige Geest

De liefde uitnemender dan de buitengewone gaven des Geestes
Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.
En al ware het, dat ik de gave der profetie had en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets. 
1 Kor. 13: 1,2

In dit hoofdstuk wordt aangewezen, dat al de genade, die de heiligen onderscheidt en die zaligmakend is, samengevat kan worden in de christelijke liefde.
Ik zou nu met u willen nagaan, welke zaken er in de tekst met die liefde vergeleken worden en aan welke van die twee de hoogste waarde gegeven wordt.

Er worden tweeërlei zaken met elkaar vergeleken: enerzijds de buitengewone en wonderbaarlijke gaven van de Heilige Geest, zoals de gave der talen, de gave der profetie enz. en anderzijds de vrucht van de ´gewone´ werkingen van diezelfde Geest in ware gelovigen, namelijk: de goddelijke liefde.
De buitengewone gaven kwamen in die eeuw, bijzonder in de kerk van Corinthe, veel voor. Het was een eeuw van wonderen.
Het was toen anders dan in Mozes´ dagen, toen er maar enkelen onder het gehele volk de gave der profetie hadden. Het leek er eerder op, of Mozes´ begeerte in Num. 11: 29 genoemd:”Och, of al het volk des HEEREN profeten ware,” nu in grote mate vervuld werd. Niet alleen bepaalde uitnemende personen ontvingen die gaven; maar ook allerlei andere personen; ouden en jongen, mannen en vrouwen.
Joël had deze dingen reeds voorzegd:”En het zal zijn in de laatste dagen (zegt God): Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw jongelingen zullen gezichten zien en uw ouden zullen dromen dromen. Ook op Mijn dienstknechten en op Mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.”
Uit de brief aan de Corinthiërs blijkt, dat velen in hun kerk allerlei gaven ontvingen. In 1 Cor. 12:8-10 zegt de apostel: Dezen wordt door de Geest gegeven: het woord der wijsheid; een andere: het woord der kennis; een andere: het geloof; een andere: de gave der gezondmakingen; een andere: de werkingen der krachten (wonderen); een andere: profetie….. “doch deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil. “Doch,” zegt de apostel in vers 31, “IJvert naar de beste gaven en ik wijs u een weg, die nog uitnemender is,” d.w.z. iets dat uitnemender is dan al deze gaven samen, ja, zelfs iets van zo´n groot belang, dat al deze gaven “zonder dat”  niets zijn.
Dan vervolgt Paulus in onze tekst: Al zou ik de talen der mensen spreken, zoals zij dat op de Pinksterdag deden; zelfs ook de talen der engelen, en de liefde niet had, ik zou een ledig, waardeloos ding zijn.
En al zou ik niet alleen één, maar al de buitengewone gaven des Geestes hebben; al zou ik al de verborgenheden weten en al de wetenschap hebben, zodat ik in al de diepe dingen van God door onmiddellijke inspiratie zou blikken; al had ik al het geloof, zodat ik allerlei wonderen kon doen; ja, zelfs de bergen kon verzetten en de liefde niet had, zo ware ik niets.
Dus de liefde, die de vrucht is van de gewone heiligende werking van de Heilige Geest, is uitnemender dan al de buitengewone gaven des Geestes; namelijk die christelijke liefde, die de hoofdsom is van alle zaligmakende genade. Zonder die liefde zijn alle andere gaven niets en doen ze geen enkel nut.

De lering dan is deze:

De gewone invloed van de Geest van God, die de genade der liefde in het hart werkt, is een uitnemender zegen dan enige buitengewone gave des Geestes.


lijn


1. Allereerst zal ik kort verklaren, wat er bedoeld wordt met de gewone en buitengewone gaven des Geestes.
De gaven en werkingen des Geestes worden volgens de godgeleerden onderscheiden in algemene en zaligmakende gaven; en in gewone en buitengewone gaven.
a. De gaven en werkingen van de Geest van God zijn òf algemeen, òf zaligmakend.
Met de algemene gaven des Geestes worden die bedoeld, die in de ware gelovigen èn in de goddelozen gevonden worden. Zo zijn er algemene overtuigingen van zonde, die zowel in goddelozen als in godvruchtigen gevonden worden. Zo worden er ook algemene verlichtingen – algemene godsdienstige aandoeningen – algemene dankbaarheid – algemene droefheid, en dergelijke in beiden gevonden.
Maar er zijn andere gaven van de Geest, die de ware gelovigen “bijzonder” eigen zijn, zoals het zaligmakend geloof, de zaligmakende liefde en alle andere zaligmakende genaden des Geestes.
b. Er zijn gewone en buitengewone gaven des Geestes. De buitengewone gaven, zoals de tongentaal, de wonderen, de profetie e.d. worden buitengewoon genoemd, omdat ze niet gegeven worden in de gewone loop van Gods voorzienigheid. Ze worden slechts bij buitengewone gelegenheden geschonken; zoals aan de profeten en apostelen, opdat ze bekwaam zouden zijn om de geest en wil van God te openbaren, vóórdat de canon der Heilige Schrift voltooid was, en ook aan de eerste Kerk, opdat deze in de wereld gesticht en bevestigd zou worden. Sedert dat echter de canon afgesloten en de Kerk volkomen gesticht en bevestigd was, zijn deze buitengewone gaven niet meer gegeven. De gewone gaven des Geestes echter zijn in de Kerk van God alle eeuwen door bestendigd.
Dit zijn de gaven der overtuiging en bekering; en de gaven, die dienen tot het opbouwen van de ware gelovigen in heiligheid en troost.

We moeten echter opmerken, dat de onderscheiding van de gaven des Geestes in gewone en buitengewone zeer verschilt van dat andere onderscheid in algemene en bijzondere; want sommige van de gewone gaven, zoals geloof, hoop en liefde, zijn geen algemene gaven. Die gewone gaven schenkt God gewoonlijk alle eeuwen door aan Zijn Kerk; maar de godvrezenden en goddelozen hebben ze niet gemeen; ze zijn in het bijzonder eigen aan de godvruchtigen. De buitengewone gaven des Geestes zijn echter algemeen.
De tongentaal, de gave der wonderen, profetie e.d. vinden we ook vaak bij de goddelozen. “Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben we niet in Uw Naam geprofeteerd en in Uw Naam duivelen uitgeworpen en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt!”


lijn


2. We merken in de tweede plaats op, dat de buitengewone gaven van de Geest van God wel inderdaad grote voorrechten zijn.
Als God iemand de Geest der profetie geeft; hem rechtstreeks inspireert; macht geeft wonderen te doen; zieken te genezen, duivelen uit te werpen; dan is dat een onderscheiden en groot voorrecht. Zelfs is dat, de zaligmakende genade uitgezonderd, één van de hoogste voorrechten, die God de mens geeft.
Als we de uitwendige middelen der genade hebben en tot de zichtbare kerk behoren, is dat een groot voorrecht; maar te kunnen profeteren en wonderen doen in de kerk is nog steeds een veel groter voorrecht. Het is een voorrecht het Woord uit de mond van profeten en dienaren Gods te morgen horen; maar zelf een profeet te zijn; zelf het Woord te prediken en door God onderwezen te worden om Zijn raad en wil te kunnen openbaren, is een veel heerlijker weldaad.
Zo werd Mozes door God een profeet genoemd; hij mocht de kinderen Israels de wet openbaren; hij schreef voor de Kerk een groot deel van Gods Woord; het was zelfs de allereerste schriftelijke openbaring. God liet hem veel wonderen in Egypte, aan de Rode Zee en in de woestijn doen; David werd geïnspireerd om een groot en zeer uitnemend gedeelte van Gods Woord, ten nutte van de Kerk in alle eeuwen, nl. de Psalmen, na te laten; Elia en Elisa waren grote profeten en deden vele en grote wonderen. Daniël ontving buitengewone gaven des Geestes, vooral kreeg hij verstand in de gezichten Gods. Hij kwam daardoor tot grote eer aan het hof van Nebukadnezar, die hem eens zelfs als een god wilde aanbidden en hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoffer wilde offeren. Door die buitengewone gaven van God verkreeg Daniël groter eer dan alle wijzen, tovenaars, sterrekijkers en waarzeggers van Babylon.
Later, onder koning Belsazar, zegt de koningin van Daniël: Er is een man in uw koninkrijk, in wie de geest der heilige goden is; want in de dagen uws vaders is bij hem gevonden licht en verstand en wijsheid gelijk de wijsheid der goden is… een voortreffelijke geest en wetenschap en verstand van één, die dromen uitlegt en der aanwijzing van raadselen en van één, die knopen ontbindt.
Ook onder Darius de Meder werd Daniël de eerste; zelfs dacht de koning hem, wegens de voortreffelijke geest in hem, over het gehele koninkrijk te stellen. Met die voortreffelijke geest werd ongetwijfeld de Geest der profetie en goddelijke inspiratie bedoeld.
Christus schonk de apostelen ook de buitengewone gaven van de Heilige Geest. Ze leerden door Hem alle volken te onderwijzen en in de muur van het nieuwe Jeruzalem met zijn twaalf fundamenten stonden de namen der twaalf apostelen des Lams. Zo zegt Paulus, dat de Kerk gebouwd is op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is. Hoezeer werd Johannes begunstigd, toen hij in de geest op de dag des Heeren was en in buitengewone visioenen de grote gebeurtenissen van Gods voorzienigheid aangaande de Kerk tot aan het einde der wereld aanschouwde.
Al deze buitengewone gaven des Geestes worden in de Heilige Schrift grote voorrechten genoemd. Ook werden die buitengewone gaven des Geestes als een grote eer beschouwd.
Mozes, tot wie God van aangezicht tot aangezicht sprak; een Aäron, de heilige des HEEREN, werden in het leger benijd ter oorzake van de bijzondere eer, die God hun bewees. Jozua neigde ertoe Eldad en Medad te benijden, omdat ze in het leger profeteerden. Als de engelen zelf het werk van een profeet moesten doen om toekomende dingen te openbaren, was dat een grote eer voor hen. Zelfs wilde de verwonderde Johannes telkens voor de engel, die door Christus gezonden werd om hem de toekomende gebeurtenissen van de Kerk te openbaren, neervallen en hem aanbidden. De engel verbiedt het hem echter en zegt, dat hij de Geest der profetie niet van zichzelf had, die was echter de getuigenis van Jezus Christus, aan hem geschonken.
De heidenen van Lystra wilden aan Barnabas en Paulus vanwege de wonderen die ze deden, offers brengen; alsof zij goden waren. En Simon de tovenaar wilde voor geld de gave kopen, waardoor ook hij door handoplegging de Heilige Geest zou kunnen geven.
De buitengewone gaven des Geestes zijn ook daarom een groot voorrecht, omdat in hen enige gelijkenis aan Christus in Zijn profetisch ambt gevonden wordt. Ook zijn ze hierom zo groot, omdat ze, hoewel soms ook aan natuurlijke mensen, toch gewoonlijk geschonken werden aan de heiligen, zelfs aan de uitnemendste heiligen.
Zo was het op de dag van het Pinksterfeest en in de eerste jaren van de Kerk: de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben de profetie gesproken.
Deze buitengewone gaven zijn gewoonlijk geschonken als tekenen van Gods hoge gunst en grote liefde. Zo spreekt God Daniël aan met de woorden:”Gij zijt een zeer gewenst man,” en daarom verkreeg hij het voorrecht, dat aan hem goddelijke openbaringen gedaan werden.
Zo was het de apostel Johannes, die de Heere Jezus liefhad en die boven de andere apostelen begunstigd werd, want hij ontving de Openbaringen.


lijn


3. In de derde plaats wil ik aantonen, dat al deze buitengewone gaven wel grote voorrechten waren, maar dat nochtans de gewone invloed van de Geest van God, die de genade der liefde in het hart werkt, een veel uitnemender voorrecht is dan die alle. Ze is een groter zegen dan de gave der profetie, der talen en der wonderen; een groter zegen dan al die wonderlijke, buitengewone gaven, die Mozes, Elia, David en de twaalf apostelen ontvingen. We merken hiertoe het volgende op:

1. De zegen der zaligmakende genade van God is een hoedanigheid, die innerlijk en onafscheidelijk verbonden wordt in en aan de natuur van hem die ze ontvangt. Deze gave van Gods Geest, die de ziel vernieuwt en daarin genadewerkingen verwekt, schenkt een zegen die in het hart woont; een zegen die ´s mensen hart en natuur uitnemend maakt. Zelfs bestaat de uitnemendheid van ´s mensen natuur alleen in deze genade.
Zo is het niet met de buitengewone gaven des Geestes. Die gaven zijn wel uitnemend; maar ze zijn niet de uitnemendheid van ´s mensen natuur. Ze wonen niet in zijn hart. Een mens kan de gave hebben om wonderen te doen; maar deze gave is niet iets, dat innerlijk in hem is en blijft. Ware genade en heiligheid wonen in het hart; ook al hadden gewoonlijk heilige personen daarbij de buitengewone gaven der profetie, der talen enz., hun heiligheid bestond echter niet in het bezitten van die buitengewone gaven. Deze gaven zijn bijkomstige zaken. Ze zijn gelijk een mooi kleed, dat de natuur van de mens, die het draagt, niet vernieuwt. Ze zijn gelijk aan kostbare juwelen, waarmee het lichaam versierd kan worden. De ware genade echter is die gave, waardoor de ziel zelf een kostbaar juweel wordt.

2. De Geest van God deelt Zichzelf veel meer mee, als Hij zaligmakende genade werkt dan wanneer Hij deze buitengewone gaven schenkt.
In de buitengewone gaven des Geestes werkt de Heilige Geest inderdaad vruchten, in en door mensen; maar niet die vruchten en niet op die manier, als wanneer Hij Zichzelf in Zijn eigen natuur aan de mens schenkt.
Een mens kan, door een buitengewone drang in zijn geest, door Gods Geest een openbaring van toekomende dingen ontvangen; hij kan die toekomende dingen in een buitengewoon visioen aanschouwen; terwijl nochtans de Geest Gods Zich daardoor helemaal niet in Zijn heilige natuur wegschenkt. De Geest Gods kan dingen uitwerken, waarin Hij Zichzelf aan ons niet mededeelt. Zo zweefde de Geest Gods op de wateren; maar niet zo, dat Hij Zichzelf aan die wateren mededeelde. Als de Geest echter door Zijn gewone werkingen zaligmakende genade schenkt, deelt Hij daarin Zichzelf in Zijn heilige natuur aan de ziel mede, in Zijn eigen natuur; om welke reden hij in de Heilige Schrift zo vaak de Heilige Geest genoemd wordt. Door deze werking wordt de Geest een inwonend levensbeginsel in de ziel en die mens wordt geestelijk genoemd vanwege de Geest Gods, Die in hem woont en Wiens natuur hij deelachtig wordt. Zelfs is genade eigenlijk niets anders dan de heilige natuur van de Geest, die aan de ziel wordt meegedeeld.
De buitengewone gaven des Geestes echter, zoals de profetie en de gave der wonderen kunnen er zijn, zonder dat de mens deze heilige natuur ontvangt. Het is gewoonlijk wèl zo, dat God mèt de buitengewone gaven des Geestes ook de heiligende werkingen van Zijn Geest schenkt; maar het één sluit niet altijd het ander in. Als God alleen die buitengewone gaven schenkt, zullen deze alleen, hem, die ze ontvangt, nooit zo deelgenoot van de Geest maken, dat zulk een mens in zichzelf, namelijk in zijn eigen natuur, geestelijk wordt.

3. De genade of heiligheid, die de vruchten van de gewone werking van Gods Geest in de harten der heiligen is, is die genade, waarin het geestelijk beeld van God bestaat en dat beeld wordt niet door de buitengewone werkingen des Geestes gewerkt.
Het geestelijk beeld van God bestaat niet in de macht om wonderen te kunnen doen, of te kunnen profeteren. Het bestaat daarin, dat men heilig is, zoals God heilig is; er woont dan een heilig en goddelijk beginsel in het hart, dat ons dringt om heilig en hemels te leven. Er is inderdaad een soort gelijkenis aan Christus, als men de gave heeft om wonderen doen; want ook Christus had die macht en Hij deed zeer veel wonderen. “De werken, die Ik doe, zal hij ook doen.” Het zedelijk beeld en de goddelijke gelijkenis met Christus bestaat echter veel meer daarin, dat men dezelfde geestesgesteldheid in zich heeft, die er in Christus was. Men is dan van dezelfde Geest als Hij. Men is dan zachtmoedig en nederig van hart; men heeft dan een geest der christelijke liefde – en men wandelt zoals Christus gewandeld heeft.
Dit maakt een mens meer aan Christus gelijk dan wanneer hij nog zoveel wonderen zou doen.

4. De genade, die vrucht is van de gewone werking van de Geest van God, is een weldaad, die God alleen aan Zijn eigen kinderen en gunstelingen schenkt; maar zo is het niet altijd met de buitengewone gaven des Geestes.
Hij geeft ze zeer vaak aan Zijn uitverkoren en uitnemende heiligen; maar dat heeft Hij niet altijd gedaan. Hij geeft ze ook wel aan anderen. Bileam wordt in de Heilige Schrift gebrandmerkt als een goddeloos mens. Toch had hij voor een poosje de buitengewone gaven des Geestes. Koning Saul was een goddeloos man, maar wij lezen, dat hij enkele malen “onder de profeten” was. Judas werd door Christus ook uitgezonden om te prediken en wonderen te doen. Volgens Matth. 10:1 heeft ook hij macht ontvangen over de onreine geesten om die uit te werpen en om alle ziekten en kwalen te genezen. In de volgende verzen worden de namen der twaalven genoemd, ook die van Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft. In vers 8 zegt Christus tot alle twaalf, dus ook tot Judas:”Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit”. 
De genade van God in het hart is een gave van de Heilige Geest; ze is een zegen, die God alleen aan hen schenkt, die de onderwerpen van Zijn bijzondere liefde zijn. 
De buitengewone gaven des Geestes geeft God soms ook aan hen, die Hij niet liefheeft, maar haat. Dit bewijst dat het eerste oneindig veel kostbaarder is dan het laatste. Datgene, dat een bewijs van Gods liefde is, is de kostbaarste gave. Buitengewone gaven waren geen zeker bewijs van Gods liefde. De profeten hebben hun overtuiging van de gunst en liefde van God niet gegrond op hun profeet-zijn, of op de openbaringen die ze ontvingen, maar daarop, dat ze oprechte heiligen waren. Zo was het met  David, en het gehele boek der Psalmen draagt er getuigenis van (Ps. 119). Daarom zegt Paulus in onze tekst, dat al de buitengewone gaven des Geestes, die hij had, geen bewijzen van zijn goede staat waren. Hij zou, zonder de genade der liefde, niets zijn.

5. Uit dit alles volgt, dat de vrucht en het gevolg van de genade oneindig uitnemender is dan van de buitengewone gaven.
Door de beloften van het evangelie is het eeuwige leven altijd aan de genade verbonden; maar nooit aan de buitengewone gaven. De zaligheid wordt beloofd aan hen, die de genaden des Geestes hebben; maar niet aan hen, die enkel en alleen de buitengewone gaven hebben. Judas Iskariot had die gaven en is naar de hel gegaan. Christus Zelf zegt tegen hen, die ze gehad hebben:”Gaat weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid.”
Daarom zegt Christus tot Zijn discipelen:”Verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.”
Dit geeft te kennen, dat genade een oneindig grotere zegen is; want ze draagt het eeuwige leven in zich en dàt heeft alleen oneindige waarde. Een mens kan alle andere voorrechten hebben zonder genade en toch verloren gaan.

6. De zaligheid zelf bestaat veel meer rechtstreeks en wezenlijk in goddelijke genade, die door de gewone werkingen des Geestes gewrocht wordt, dan in de buitengewone gaven. ´s Mensen hoogste zaligheid bestaat in heiligheid; want daardoor wordt het redelijk schepsel met God, de Fontein van alle goed, verenigd. Zaligheid bestaat zo wezenlijk in het kennen, liefhebben en dienen van God; in de goddelijke natuur der ziel en in de levende oefeningen daarin; dat deze zaken een mens zalig maken, al zou hij niets anders bezitten; echter zullen alle andere genietingen en voorrechten, zonder die genaden, nooit zalig maken.

7. Deze goddelijke hoedanigheid der ziel, die de vrucht is van de gewone heiligende invloeden van de Geest, is het doel van al de buitengewone gaven van de Heilige Geest.
De gave der profetie, der wonderen, der talen enz. heeft God gegeven juist met het doel, dat het evangelie in de wereld zou verbreid en bevestigd worden. En het doel van het evangelie is de mensen te bekeren van de duisternis tot het licht en van de macht der zonde en des satans tot God om Hem in heiligheid te dienen. Het doel van al de buitengewone gaven des Geestes is de bekering van zondaars en de opbouwing der heiligen in die heiligheid, die de vrucht is van de gewone invloeden van de Heilige Geest. Hierom werd de Heilige Geest na Christus´ hemelvaart over de apostelen uitgestort en zij werden bekwaam gemaakt met andere talen te spreken en wonderen te doen en hierom ook werden vele anderen in die eeuw begiftigd met de buitengewone gaven van de Heilige Geest. Efeze 4:11: “En Deze heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten en sommigen tot evangelisten…”
Hier worden de buitengewone gaven des Heiligen Geestes bedoeld en het doel van die gaven wordt in vers 12 uitgedrukt, namelijk: “Tot de volmaking der heiligen; tot het werk der bediening; tot opbouwing des lichaams van Christus”, en hoe die opbouwing des lichaams van Christus zal zijn, leert ons vers 16: “De wasdom des lichaams tot zijns zelfs opbouwing in de liefde.”
Volgens de algemene stelregel is altijd het doel uitnemender dan de middelen; want de middelen hebben geen goedheid in zich dan alleen zoals ze dienen om het doel te bereiken. Daarom moet het doel uitnemender zijn dan de middelen.

8. Het is er zeer ver vandaan, dat de buitengewone gaven van de Geest zonder de genade, die de Heilige Geest door Zijn gewone invloeden werkt, wezenlijk nut doen: Integendeel, ze zullen het oordeel van hen, die ze hebben alleen maar verzwaren. Ongetwijfeld werd Judas´ oordeel buitengewoon verzwaard, omdat hij die buitengewone gaven bezat. En sommigen, die zulke buitengewone gaven gehad hebben, hebben de zonde tegen de Heilige Geest begaan en hun gaven waren een voorname oorzaak, die hun zonde tot de onvergeeflijke zonde maakte. Dit blijkt uit Hebr. 6:4-6: “Want het is onmogelijk, degenen die eens verlicht zijn geweest en de hemelse gaven gesmaakt hebben en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw en afvallig worden; die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelf de Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken. Zij, die afvallig werden, hadden daarvóór Christus ook openlijk beleden en de buitengewone gaven van de Heilige Geest ontvangen, evenals de meeste christenen in die dagen. Zij waren ook onderwezen en hadden door de algemene werkingen van de Geest het Woord met vreugde ontvangen en hadden daarbij de buitengewone gaven des Geestes ontvangen, hemelse gaven en krachten. Zij hadden de tongentaal gesproken; in Christus´ Naam geprofeteerd; in Zijn Naam duivelen uitgeworpen en toch waren ze tenslotte afvallig geworden. Ze hadden Christus, evenals Zijn moordenaars, een bedrieger genoemd en hadden Hem daardoor wederom gekruisigd en openlijk te schande gemaakt.
Van hen nu zegt de apostel dat het onmogelijk geworden was ze wederom te bekeren. Zulke afvalligen móesten door hun verwerping van Christus die wonderkrachten, die ze hadden, wel toeschrijven aan de duivel. Daarom werd hun geval hopeloos en hun verdoemenis moest wel buitengewoon verzwaard worden.
Hieruit blijkt dus, dat de zaligmakende genade oneindig veel meer waard en veel uitnemender is dan de buitengewone gaven van de Geest.

9. Tenslotte: een andere zaak, die de waarde der zaligmakende genade oneindig veel hoger maakt dan de buitengewone gaven van de Geest is, dat de één eeuwig blijft en de andere zullen vergaan.
Van deze gedachte maakt de apostel in het tekstverband gebruik om aan te tonen, dat de goddelijke liefde oneindig veel meer te verkiezen is boven de buitengewone gaven des Geestes, als hij in vers 8 zegt: “De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.” De goddelijke liefde zal de gehele eeuwigheid door blijven; maar de buitengewone gaven van de Geest zullen in de tijd ophouden. Zij hebben slechts het karakter van middelen die, als het doel bereikt is, zullen ophouden, maar de goddelijke liefde zal eeuwig blijven.

lijn

Toepassing

In het gebruik van dit onderwerp merk ik op:

1. Als de zaligmakende genade een grotere zegen is dan de buitengewone gaven des Geestes, kunnen we daaruit ongetwijfeld opmaken, dat het de grootste weldaad en zegen is, die God ooit aan iemand in deze wereld schenkt. Immers, de buitengewone gaven van de Heilige Geest, zoals de gave der tongen, der wonderen, der profetie enz. zijn de hoogste soort gaven en weldaden, die God ooit aan natuurlijk mensen geeft en het zijn tevens weldaden, die zeer zelden in enige eeuw van de wereld, behalve in de eeuw der apostelen, aan zodanige geschonken werden.
Als we wat gezegd is recht overwegen, is het boven alle twijfel duidelijk, dat de zaligmakende genade van God in het hart, die een goddelijk en heilig beginsel in de ziel werkt, de grootste zegen is die de mensen in deze wereld ooit kunnen ontvangen, groter dan enige natuurlijke gaven; groter dan de grootste natuurlijke bekwaamheden; groter dan enige verkregen begaafdheden van de geest; grote dan de meest omvattende geleerdheid; groter dan uitwendige eer en weelde; groter dan met David van achter de schaapskooi gehaald te worden om koning over Israël te zijn; groter dan alle rijkdommen, eer en heerlijkheid van Salomo; ja, niets is ermee te vergelijken.
Groot was de weldaad, die God aan de gezegende maagd Maria schonk, toen Hij haar verkoren had, opdat de Zoon van God uit haar geboren zou worden. Dat een Persoon, Die oneindig hoog boven de engelen stond; ja, Hij Die de Schepper en Koning van hemel en aarde, de grote Vorst van het heelal was, dat zo Iemand in haar baarmoeder ontvangen en uit haar geboren zou worden; aan haar borst gevoed zou worden, dat was voor haar een groter voorrecht dan de moeder van het kind van de grootste aardse vorst, die er ooit geleefd heeft, te worden.
Toch was zelfs dat niet zo´n groot voorrecht, als de zaligmakende genade van God in het hart te hebben, of als Christus, als het ware, in de ziel geboren te hebben. Dat leert Hij onszelf uitdrukkelijk in Lukas 11:27,28: “En het geschiedde, als Hij deze dingen sprak, dat een zekere vrouw, de stem verheffende uit de schare, tot Hem zeide: Zalig is de buik, die U gedragen heeft en de borsten, die Gij hebt gezogen. Maar Hij zeide: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen en het bewaren.”
Eens, toen sommigen Hem zeiden, dat Zijn moeder en Zijn broeders buiten stonden, zoekende Hem te spreken, liet Hij hen weten, dat er een gezegender weg was om “familie van Hem” te worden dan die van Zijn moeder en broeders naar het vlees te zijn, Matth. 12: 46-50: “Wie is Mijn moeder en wie zijn Mijn broeders?” En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zeide Hij: “Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders. Want zo wie de wil Mijns Vaders doet, Die in de hemelen is, die is Mijn broeder, en zuster, en moeder.”

2. Wij moeten daarom die twee soorten voorrechten niet zo met elkaar verwarren, dat we één of andere buitengewone wonderlijke gave van de Geest aanzien als een zeker bewijs van genade. Als God te eniger tijd aan sommigen een buitengewone indruk op hun geest gemaakt heeft, waarvan zij geloven, dat het van God is en waardoor hen iets geopenbaard wordt, dat hierna gebeuren zal, zou dit, als het wezenlijk is, op een buitengewone gave van de Heilige Geest, namelijk de gave der profetie, wijzen.
Maar uit hetgeen we gezegd hebben, blijkt duidelijk, dat het geen zeker bewijs van genade of iets zaligmakends is. Ik zeg: Zelfs al zou het wezenlijk zijn, is er dat nog geen bewijs van, want we hebben alle redenen om die dingen, die men zich in onze dagen aanmatigt inderdaad als zinsbegoocheling op te nemen. Het feit, dat zulke indrukken veroorzaakt worden door teksten uit de Heilige Schrift, die plotseling invallen, verandert het geval niet; want een tekst uit de Heilige Schrift, die ons invalt, is niet meer waard dan een tekst, die we lezen. Als te eniger tijd en ten allen tijde het lezen van een tekst, zoals die in de Bijbel staat, zoiets niet bewijst, dan wordt dat ook niet bewezen door een plotseling invallende tekst, want Gods Woord spreekt in beide gevallen precies van dezelfde zaak. De woorden hebben dezelfde betekenis, wanneer ze “in vervolg” gelezen worden als wanneer zij plotseling in de gedachten vallen. Als iemand er daarom iets meer inlegt, dan gaat hij zonder enig recht daartoe te hebben, te ver. Immers ze krijgen, als ze plotseling bij hem invallen, geen andere of nieuwe betekenis, die ze daarvóór niet hadden. Als dus iemand denkt, dat het goed met hem staat omdat hij zulk een tekst plotseling krijgt en die tekst, zoals ze in het Woord staat, bewijst dit niet, of zou dit niet bewezen hebben, als hij het alleen bij het “in vervolg” lezen gelezen had, dan bewijst zo´n invallende tekst niet, dat hij in een goede staat.
Daarom, als sommigen menen, dat ze één of ander visioen gezien, of één of andere stem gehoord hebben, zijn dat geen tekenen van genade. Als ze wezenlijk zijn en van God komen, zijn ze ook niet bewijzen van genade, want de buitengewone invloeden van de Geest, die visioenen en dromen doen ontstaan, zoals van oud bij de profeten, zijn geen zekere tekenen van genade.
Al de vruchten van de Geest, die een bewijs van ware genade zijn, worden samengevat in de liefde, want de liefde is de hoofdsom van alle genade.
De enige weg daarom, waarin iemand zijn goede staat kan leren kennen, is of de oefeningen, de werkingen van deze goddelijke liefde in zijn hart gevonden worden, want zonder die liefde zijn alle andere gaven, welke die ook zijn, niets.

3. Als de zaligmakende genade uitnemender is dan de buitengewone gaven des Geestes, kunnen we daaruit niet de gevolgtrekking maken, dat in de heerlijkheid van de laatste tijden der Kerk, waarover de Heilige Schrift spreekt, de buitengewone gaven van de Geest in die tijden aan de mensen geschonken zullen worden. Velen zijn geneigd geweest te denken, dat in die heerlijke tijden der Kerk, die na de roeping der joden en de ondergang van de Antichrist zullen aanbreken, er veel mensen zullen zijn, die begiftigd zullen worden met een macht om wonderen te doen.
Hetgeen echter Gods Woord betreffende die heerlijke tijden zegt, bewijst dit niet, of maakt dit niet waarschijnlijk. Want we hebben aangewezen, dat het uitstorten van Gods Geest in Zijn gewone en zaligmakende werkingen, waardoor het hart des mensen met een goddelijke en heilige hoedanigheid vervuld wordt en hem in de godzaligheid oefent, de heerlijkste weg is, waarlangs de Geest ooit kan werken, heerlijker, zeer veel heerlijker, dan dat Hij de gave der wonderen werkt. Daarom vereisen die heerlijke tijden der Kerk zoiets als die buitengewone gaven niet. Die tijden kunnen evenwel zonder die gaven verreweg de heerlijkste tijden voor de Kerk zijn, die ze ooit gekend heeft.
Dat de mensen de gave der profetie, der talen en wonderen niet hebben, zoals in de tijd der apostelen, dit zal geen beletsel zijn, dat die tijden niet veel heerlijker zouden kunnen zijn dan toen.
Als de Geest dan in groter mate in Zijn heiligende invloeden wordt uitgegoten is dat, zoals de apostel uitdrukkelijk in 1 Cor. 12:31 zegt, een weg die nog uitnemender is.
Deze heerlijkheid is de grootste heerlijkheid van de Kerk van Christus; een heerlijkheid, die de Kerk nooit eerder gekend heeft. Dit zal de Kerk meer aan de Kerk in de hemel gelijk maken, want dáár zal de liefde volmaakt heersen, meer dan enige van de buitengewone gaven des Geestes in trap of aantal zouden kunnen doen.
We hebben dus geen reden om in dit en misschien ook niet in andere opzichten te verwachten, dat de buitengewone gaven van de Geest in die heerlijke tijden, die nog komen zullen, geschonken zullen worden. Immers, er zàl geen nieuwe bedeling meer gegeven worden en ook geen nieuwe Bijbel. Ook kunnen we niet meer verwachten, dat er aan de tegenwoordige Heilige Schrift iets toegevoegd zal worden. Dit wordt in de heilige Geschriften, zoals we die nu hebben, te kennen gegeven in Openb. 22:18-21, waar geschreven staat, dat er niets toegedaan of afgedaan mag worden aan de woorden dezes Boeks, totdat Christus komt.

4. Hoeveel redenen hebben degenen niet, die het voorrecht bezitten dat de Heilige Geest de zaligmakende genade in hun hart heeft gewerkt, om daarvoor God te zegenen en tot Zijn eer te leven. Als we eens met ernst de staat der godzaligen, van hèn die de onderwerpen van deze onuitsprekelijke zegen geworden zijn, overwegen, dan zullen we alleen maar verwonderd staan over de wonderlijke genade, die hun geschonken werd.
En hoe meer we dit overdenken, des te wonderlijker en onuitdrukkelijker zal dit blijken te zijn.
Als we in de Heilige Schrift van de grote voorrechten lezen, die aan de maagd Maria gegeven werden en ook aan de apostel Paulus, toen hij opgetrokken werd in de derde hemel, zijn we geneigd om die als de grootste weldaden te beschouwen. Echter zijn ze, alles welbeschouwd, niets als we ze vergelijken met de weldaad, die ons op Christus doet gelijken en Zijn liefde in ons hart doet wonen. Laten dan degenen die hopen dat ze begenadigd zijn, bedenken – meer dan ze tot nu toe nog gedaan hebben – welk een grote gunst God hun geschonken heeft en hoezeer zij geroepen worden om Hem te verheerlijken voor hetgeen Hij in hen gewrocht heeft. Laten zij Christus verheerlijken, Die deze zegen voor hen met Zijn eigen bloed verworven heeft, en de Heilige Geest, Die ze aan hun ziel verzegeld heeft. Hoedanigen behoren zij niet te zijn in alle heilige wandel en godzaligheid! Bedenkt, gij die op Gods barmhartigheid hoopt, hoezeer Hij u verhoogd en verheerlijkt heeft. Zult gij dan niet voor Hem leven? Zult gij Christus onteren door Hem maar weinig te achten, Hem niet uw gehele hart te geven, de wereld achterna te gaan en Hem, Zijn dienst en Zijn eer te verachten? Zult gij niet waken tegen uzelf en tegen een verdorven, wereldse, trotse gesteldheid, die u wegvoert van een goeddoend God en van een Zaligmaker, Die ten koste van Zijn eigen zielsbenauwdheden en dood zulke onschatbare zegeningen voor u verworven heeft?
Moet het niet iedere dag veroorzaken, dat ge deze ernstige vraag stelt: Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
Wat heeft God meer voor u kunnen doen dan Hij gedaan heeft? Welke andere weldaad zou uw hart méér tot dankbaarheid kunnen nopen dan deze? Er is geen voorrecht, dat in zichzelf beter en kostbaarder is! Bedenkt ook eens, hoe ge leeft, hoe weinig ge voor Hem en hoeveel ge voor uzelf gedaan hebt, en hoe weinig deze goddelijke liefde door u beantwoord wordt. Leeft ge voor God en Christus en voor de uitbreiding van Zijn Koninkrijk?
O, hoe behoort ge uw grote voorrechten te beantwoorden door liefde te openbaren, liefde die als vrucht voortbrengt: gehoorzaamheid, onderwerping, eerbied, ontzag, blijmoedigheid, vreugde en hoop op God, en zachtmoedigheid, medelijden, ootmoed en hartelijkheid jegens uw naaste, en die u dringt bij iedere gelegenheid wèl te doen.

5. Dit onderwerp vermaant tenslotte alle onvernieuwde personen; allen, die vreemdelingen van deze zaligmakende genade zijn, om deze aller uitnemendste genade en zegen voor zichzelf te zoeken.
Bedenkt hoe ellendig ge nu zijt, nu ge nog geheel ontbloot zijt van deze liefde, ver van de gerechtigheid, vol liefde tot de ijdelheden van de wereld en vol vijandschap tegen God. Hoe zult ge het kunnen verdragen, als Hij met u zal handelen naar wat ge nu zijt. Als Hij u in toorn tegenkomt als uw vijand en Hij Zijn grimmige wraak tegen u uitvoert.
Bedenkt ook, dat ge vatbaar zijt voor deze liefde. Dat Christus ze u kan en wil geven en dat er velen zijn, die ze ontvangen hebben en erin gezegend zijn. God zoekt uw liefde en gij verkeert onder de onuitsprekelijke verplichting ze te bewijzen. De Geest van God is hier, te dezer plaatse, wonderlijk uitgestort. Velen zijn bekeerd. Er is bijna geen gezin of familie, waaraan God voorbijgegaan is. In bijna elk huisgezin zijn er sommigen, die Gode-koningen, priesters en edelen geworden zijn; zonen en dochteren van de almachtige God! Hoedanigen behoren wij dan allen te zijn! Hoe heilig, ernstig, rechtvaardig, ootmoedig en toegenegen in de dienst Gods en getrouw jegens onze naasten! God heeft ons persoonlijk en als volk zeer rijk gezegend, en het betaamt ons, persoonlijk en als volk, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk te zijn, dat de deugden verkondigt van Hem, Die ons uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

Nu dan, verstaat dit toch, gij godvergetenden! Opdat Ik niet verscheure en niemand redde.
Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, die zal Ik Gods heil doen zien!

Amen.



Bibliotheek Overjarig Koren, 48e jaargang, oktober 1973, no. 6
(Vertaling: J.H. den Boer)