Jonathan Edwards Pagina



Reacties van harte welkom!

dpvandendool@kliksafe.nl





jonathan edwards
Jonathan Edwards

Contact



Links:


Meditaties Ds. G. Blom
 
Onderwerpen
C.H. van den Dool


Voor niet-gelovigen

Theologische vragen

Bijbelverklaring

Scheppingsdagen 24 uur?



Overige:

Chiel-Jan van Hofwegen
(Musicus)


           Bureau Jonathan Edwards
Het bureau van Jonathan Edwards


     Hoofdingang Jonathan Edwards College te Yale
Hoofdingang van het Jonathan Edwards College te Yale


   Grafsteen Jonathan Edwards
    Grafsteen van Jonathan Edwards


     
           




                            

Uit het leven van Jonathan Edwards  (1)

East Windsor, half juli 1711


"Vader, mag ik met u mee?"

Jonathan had een hooivork uit de schuur gepakt en keek vragend naar zijn vader.
Dominee Edwards keek zijn zoon onderzoekend aan. "Heb je je Latijnse les al geleerd?"
"Ja, vader, het was niet zo moeilijk."
"Ken je het echt goed, zonder fouten?"

"Esther en Bettty hebben me overhoord, en ik wist alles."
"Ja, het is fijn dat de zussen je helpen. Nou, ga maar met me mee. Het is een drukke tijd op het land. Tim is al bezig geweest om het hooi op hopen te gooien. En over enkele weken moet ik op reis." Vader zuchtte. In zijn ogen was grote zorg.

Tim was vaders knecht. Eigenlijk was hij een negerslaaf, maar vader behandelde hem alsof hij een gewoon lid van het gezin was. Als ze 's avonds de dagsluiting hielden, was Tim er ook altijd bij.
Achter vaders brede rug liep Jonathan naar het hooiland. Ze hoefden niet ver te lopen. Achter de pastorie was een boomgaard, en daarachter was het land. De appelbomen hadden vol bloesem. Het was te hopen dat dit ook een grote oogst betekende. Vader gebruikte een groot deel van de appels om er cider en brandewijn van te maken. Die werd vervolgens voor een deel weer verkocht. Elke extra inkomst was welkom!
Er waaide een briesje over het hooiland. Wat rook het heerlijk! Jonathan snoof de geur diep op.

Hij vond het fijn om vader te helpen. Dan kon hij alleen zijn en nadenken. Er waren zoveel dingen om over na te denken. Hij kwam steeds tijd tekort. Als hij thuis moeder hielp, waren er steeds zussen in de buurt. Dan werd er zoveel gepraat, en kon hij niet rustig denken. Of er waren gasten die op bezoek kwamen of soms enkele dagen bleven. Maar als hij buiten was en er was stilte om hem heen... Dat waren heerlijke momenten...
Het land liep hier wat omlaag. Ginds was de beek, en daarachter waren de bossen. Die waren erg uitgestrekt. Je kon er uren lopen zonder dat je iemand tegen kwam. Hij ging er weleens paardrijden met vader. Maar nog vaker wandelde hij daar, helemaal alleen. En op een stil plaatsje knielde hij weleens neer om te bidden.

"Zullen we bij de beek beginnen?" zei vader. "Tim komt straks ook."
Jonathan vond het fijn dat Tim er nog niet was. Als hij erbij was, had je wel schik, maar toch... Met vader samen was het toch anders. Zou dat komen doordat vader een kind van God was?

Stil liepen ze verder, elk in hun eigen gedachten verdiept. Toen ze achterin het land waren, bij de beek, begonnen ze het hooi, dat nu een aantal dagen had liggen drogen, op hopen te harken. Morgen zou het naar de schuur gebracht worden.

"Jonathan," zei vader ineens. "Zul je goed je Latijn blijven oefenen als ik er niet meer ben?" Vader liet zijn hooivork rusten en keek zijn jongen bezorgd aan.

"Natuurlijk vader. Moeder kan mij overhoren en u komt toch weer terug!"
"Als de Heere het wil, Jonathan. En jongen, zul je aan je ziel denken...? Onze tijd is zo kostbaar!"

"Ja vader!"

Het waren vreemde weken. Vader had de boodschap gekregen dat hij meemoest met het leger. De soldaten hadden een predikant nodig, en vader was uitgekozen om hun legerpredikant te zijn. Het zou echter een gevaarlijke reis zijn. Vader zag nogal tegen de reis op, en was soms erg verdrietig. Hij had dan het gevoel dat hij hen zou verlaten om nooit terug te keren.

Jonathan kon het wel begrijpen. Hij werd er zelf soms ook verdrietig van. Het Engelse leger ging vechten tegen de Fransen in Canada. De Fransen wisten soms zelfs Indianen over te halen om met hen mee te vechten. Net als toen met oom John Williams... Jonathan heeft het boek dat zijn oom erover schreef verschillende keren gelezen. "The Redeemed Captive" heet het. Hij was ongeveer één jaar toen het gebeurde. Indianen en Fransen overvielen het dorp van oom John. Ze waren met zo'n vierhonderd man. Velen werden meegevoerd of zelfs gedood. Het was zo erg. Oom John en tante Eunice waren ook ontvoerd naar Canada, samen met hun kinderen. Ze kwamen pas na een paar jaar terug, maar zónder tante Eunice. En ook zónder nicht Eunice. Toen heeft oom John het boek geschreven. In heel Nieuw Engeland wordt het nu gelezen.
Als ze vader ook eens ontvoerden, net als oom John... Of als onderweg een stel Indianen tevoorschijn kwam springen! Jonathan zag ze al voor zich, met beschilderde gezichten en halfnaakte lichamen. Ze zouden krijsend op vader afstormen, de strijdbijl omhoog geheven. "Dat is de dominee! Die moeten we hebben!" Ze hadden tante Eunice toch ook zomaar neergeslagen onderweg! Zij had ook niks gedaan! En wie weet wat er met nicht Eunice was gebeurd! Tien jaar oud was ze toen het gebeurde. Zou ze ook doodgeslagen zijn?

Jonathan nam zich voor straks voor de zoveelste keer de stilte op te zoeken en te bidden voor Eunice maar bovenal voor vader. Wat zou het gelukkig zijn als hij behouden thuis mocht komen van de expeditie, zoals de tocht genoemd wordt. Trouwens, de mensen van de kerk konden hun dominee toch niet missen...!

De volgende morgen stopte een rijtuig bij de pastorie. Een al wat ouder echtpaar stapte uit. De man was om zo te zien predikant. Hij had iets statigs over zich. Zijn hele houding dwong eerbied af. Bij zijn vrouw viel de innemende blik in haar ogen op.
De kinderen waren aan het werk in de parlor. Dit was het vertrek aan de straatkant, rechts van de voordeur. 's Morgens deed de parlor dienst als leslokaal, behalve op maandag. Dan was het vaders ontvangstkamer. Nu opa en oma er ineens waren, hadden de kinderen weinig zin meer in hun lessen. Jonathan legde haastig het boek naast zich neer. Esther vergat dat Jonathan nog een vertaling van de Latijnse zin moest geven. De kleine Abigail die bezig was om op een kreukelig papiertje letters te tekenen, riep uitbundig:"Opa! Oma!" Ze gleed van de houten bank af en schoot naar het raam dat uitzicht gaf over de weg. De kinderen zagen oma naar binnen kijken. Jonathan nam snel zijn boek weer op. "Accidence" heette het lesboek. Hij was al best ver. "We zullen opa en oma laten zien hoe hard hier gewerkt wordt," bedacht Esther. "Jonathan, bij welke zin waren we gebleven...?"

Opa en oma Stoddard hadden deze reis speciaal gemaakt om afscheid te nemen van vader. Ze hadden gehoord, dat vader zo erg tegen de naderende reis op zag, en wilden hem bemoedigen. Maar in hun hart hielden ze er rekening mee dat het ook een afscheid voor altijd zou kunnen zijn...

De kinderen hoorden hoe Mercy, het dienstmeisje, de voordeur opendeed. Even later was er de verraste stem van moeder:"Wat heerlijk dat u gekomen bent! Hebt u een goede reis gehad? Ja, de kinderen zijn nog aan het werk. Ze zullen zo wel klaar zijn. U kunt wel even kijken."
Moeder opende de deur van het leslokaal. "Als Timothy het erg druk heeft, help ik de kinderen. Maar meestal is dat niet nodig. Kijkt u eens hoe ze elkaar helpen! Dat heeft Timothy bedacht. Kinderen kunnen veel leren van elkaar! Timothy controleert of ze alles goed kennen. U weet dat hij goede leerlingen wil afleveren..."

Opa en oma lieten hun blik door het lokaal glijden. Ze zagen dat aan drie muren houten banken waren bevestigd, waarop kinderen zaten. Op de ene bank zagen ze Jonathan met Esther en Betty, op de andere bank waren Anne en Mary bezig om Eunice te helpen, op de derde bank zaten enkele neefjes van hiernaast met nog wat onbekende jongens. Eunice hield het nu ook niet meer uit. Ze huppelde naar oma toe, haar blad in de hand. "Oma, ik kan schrijven!" Haar ogen straalden. "Dat is fijn, kind, laat mij eens lezen!" Met houterige letters stond op het papier geschreven:"Gedenk ten allen tijde dat gij eenmaal zult sterven." "Van papa geleerd!" zei het meisje trots.
De kleine Abigail was ook weer van haar bank gegleden. "Ik ook! Ik kan ook schrijven!" Bij wijze van begroeting klemde het meisje zich even vast aan oma's rok. Toen duwde ze haar het vodje met inktvlekken en boogjes in de hand. "Voor u!" zei ze spontaan.

Van de lessen kwam die morgen weinig meer terecht. Opa informeerde bij de oudste kinderen belangstellend naar hun vorderingen in het Latijn. Jonathan vertelde dat hij zijn "Accidence" bijna uit had. Opa nam het in de handen. "Een mooi boekje voor een jongen van jouw leeftijd. Eens zien, tachtig bladzijden. Ja, dat is mooi, en die regels heb je allemaal van buiten geleerd?" Jonathan knikte ijverig. "Ja, opa, en de woordjes achterin ken ik ook al bijna!"
"Nou, vertaal dan eens voor mij: In principio creavit Deus caelum et terram."

"Ha, dat is makkelijk! Dat vroeg papa ook een keer!"
Opa Stoddard keek zijn kleinzoon afwachtend aan. Jonathan antwoordde vlot:"In den beginne schiep God den hemel en de aarde. En 'k weet ook hoe het verder gaat: Terra autem erat inanis et vacua."
"De aarde nu was woest en ledig," antwoordde opa alsof het een overhoring was. "Ik ben blij dat je goed je best doet! Ik denk dat je graag leert!" "Ja, opa, 'k wil zo graag alles weten. Papa heeft heel mooie boeken staan. Die mag ik lezen als ik er voorzichtig mee ben." Jonathan wilde al vertellen welke boeken hij inmiddels gelezen had en welke hij het mooist vond, maar vader was intussen ook de parlor binnengekomen en vroeg of opa met hem meeging naar de studeerkamer.

Jonathan was graag met ze meegegaan. Ze bekeken dan samen de nieuwste boeken, en als opa ze ook gelezen had, praatten ze er samen over. Vader had natuurlijk boeken in het Latijn, maar ook in het Grieks en Hebreeuws. Ook boeken over natuurkunde en natuurlijk heel veel over de Bijbel. Veel boeken had vader van de dominees Mather. Soms las vader daar iets uit voor op zondag of bij de dagsluiting.

Vader hield soms moeilijke gesprekken met opa, over de regering van de kerk of over het Heilig Avondmaal. Dan kon je wel aan vader merken dat hij het niet met opa eens was. En na lang praten begonnen ze maar weer ergens anders over. Vader had ook boekjes met gedichten. En soms maakte vader zelf wel eens een gedicht. Jonathan had het ook wel eens geprobeerd, maar hij had gemerkt dat hij liever een gedicht las dan er zelf één schreef. Vader had een boekje met een heel lang gedicht erin. "Day of Doom" heette het en het ging over de oordeelsdag. In een preek haalde vader wel eens een vers aan. Jonathan werd steeds bang van het gedicht. En toch pakte hij het boekje telkens weer. Hij kende al hele stukken uit zijn hoofd. Hoe begon het ook alweer?

Stil was de nacht, vol rust en vrede,

Toen alle mensen op hun legerstede

Lagen te slapen, menend dat hun kalme tijd,

Wel voort zou duren tot in eeuwigheid.

"Neem toch uw rust en laat uw zorgen varen

U mocht vele goederen bijeenvergaren,"

Zo klonk, tussen het drinken door,

Hun lied, die avond daarvoor.


Soms schreef vader zelf een gedicht. Jonathan had het ook wel eens geprobeerd, maar hij had gemerkt dat hij liever een gedicht las dan er één maakte.

Wat zou vader nu met opa bespreken? Misschien hadden ze het wel over de expeditie naar Canada. Of ze keken naar de boeken. Opa Stoddard schreef soms ook een boek. Hoeveel boeken zou vader hebben? Driehonderd? Vierhonderd misschien? Heel veel van de dominees Mather. Soms las vader daar iets uit voor, als het zondag was of als ze 's avonds de dag besloten.

Het begon al warm te worden in huis. In de parlor hadden ze er weinig last van gehad, doordat die op het zuidwesten lag, maar in de keuken begon het al warm te worden. Jonathan zag dat alleen Mercy er was. "Ze zijn naar buiten gegaan," zei het dienstmeisje. Jonathan vond het gezelschap in de boomgaard. Het was daar heerlijk. Eunice en Abigail zaten op hun knieen in het lange gras, dat vol bloemen stond. Ze speelden met Jerusha, hun zusje van één. De geur van het hooiland waaide langs de bomen. Esther en Elizabeth hadden wat stoelen uit de kamer neergezet. Natuurlijk één voor moeder en oma, maar ook één voor Mary. Zij had veel pijn in haar nek, en zat maar het liefst op een stoel. Al spoedig werd er over en weer druk gepraat. Jonathan luisterde stil toe.

Die middag werd het hooi binnengehaald. Gelukkig hadden enkele boeren aangeboden om vader te helpen. Omdat het zulk prachtig weer was, kwamen opa en oma ook even kijken. Jonathan zette zijn beste beentje voor. Het hooi opsteken kon hij nog niet. Dat liet hij maar aan Tim over. Wel deed hij zijn uiterste best om het Tim zo gemakkelijk mogelijk te maken. Met een rijf, een soort hark, veegde hij steeds de resten hooi bij elkaar, zodat Tim het zó op zijn vork kon steken. De zwarte knecht genoot van zijn kleine vriend, en lachte steeds zijn witte tanden bloot. Jonathan genoot op zijn beurt van Tim, die net een grote broer was...


Toen de paarden het hooi naar huis reden, klom Jonathan op de wagen. Hij ging op zijn rug in het hooi liggen. Dat lag heerlijk! Wat kon je zo goed nadenken. Hij tuurde naar de wolkenhemel, keek naar de vogels die rondvlogen, de insecten die voorbij zoemden, en probeerde steeds te begrijpen waarom de dingen zo waren zoals hij ze zag...
Als je naar de wolken keek, zag je dat ze zich voortbewogen door de wind. Als je naar de vogels keek, en naar al die insecten, leek het ook wel of ze zich in een bepaalde richting bewogen. Gingen ze met de wind mee? En als dat zo was, waarom lieten ze zich dan meedrijven op de wind?

Veel tijd om hierover na te denken had Jonathan niet. De wagen stond stil voor de schuur en het hooi zou door een groot luik de zolder opgegooid worden. Tim was op de wagen geklauterd om het hooi door het luik naar binnen te steken. "Ga jij op de zolder?" vroeg hij aan Jonathan. Terwijl Tim hem aan zijn handen vasthield, liet Jonathan zich langs de wagen omlaag zakken. Met een bons kwam hij neer. Hij zou vader goed helpen nu het nog kon! In de schuur klauterde hij langs de ladder de hooizolder op, de hooivork in zijn hand. "Gooi jij het naar achteren!" riep één van de boeren die vader hielp. "Dat is wat anders, jong, dan met je neus in de boeken te zitten!" plaagde een ander. Jonathan reageerde niet. Van zijn vier oudere zussen moest hij zo vaak iets aanhoren, waarvan hij het beter vond er niet op in te gaan. Maar diep in zijn hart had hij liever een boek op zijn schoot. Hij vond werken wel fijn, maar dan het liefst alleen, of samen met vader. Dan had hij de rust om te kunnen denken...

Toen de wagen leeg was, vleide iedereen zich neer in de schaduw van de boomgaard. Moeder Edwards kwam met een kan appelcider aandragen, terwijl Mercy de kommen droeg. Jonathan holde eerst naar de pomp, waar hij het koele water over zijn gezicht liet stromen, en met grote, lange slokken zijn ergste dorst stilde.

Tim kwam er ook aan. "Heb je zo'n dorst jochie!" lachte hij. "'k Wil je wel even helpen." En voor tot Jonathan doordrong wat er gebeurde, had Tim de emmer al weggepakt en over zijn hoofd leeggegoten. Jonathan rende weg en riep:"Nu heb je zelf niks om te drinken!" Het water over zijn hoofd vond hij wel prettig. Het was zo warm en stoffig op de hooizolder. Maar hij had weinig puf om met Tim nog een stoeipartijtje te beginnen. Op een open plek in de boomgaard liet hij zich drogen. Tim vond het trouwens ook heerlijk om even niets te hoeven doen. Mercy deelde de kommen appelcider uit. Toen ze Jonathan zag, lachte ze:"Jij hebt al genoeg gehad zeker." "Dat was water," antwoordde Jonathan met een ernstig gezicht. "Alsjeblieft dan."
De pauze duurde niet lang. Al gauw gingen ze terug naar het land om de volgende vracht hooi te laden. Tim had een extra aansporing nodig. Hij lag net juist zo fijn. Bij elkaar weden vier vrachten hooi binnengehaald. Na elke vracht volgde een korte pauze. Tim vond het beter geen kleine jongens meer te plagen, want vader Edwards had hem er voor de zoveelste keer op gewezen dat hij zich als een goede jongen moest gedragen. "Ja, meneer Edwards," was Tims antwoord geweest.

 Het was al tegen de avond toen het hooi binnen was. De boeren die geholpen hadden, werden uitgenodigd om te blijven eten, maar ze gingen liever naar huis. Hun vrouwen wachtten.


  De maaltijd werd grote eer aangedaan. Hoewel het gebruikelijk was dat ze om twaalf uur de warme maaltijd gebruikten, aten ze vandaag 's avonds warm. De maaltijd begon met een heerlijke maispudding. Moeder had er extra haar best op gedaan, omdat opa en oma er waren. Natuurlijk werd bij de maaltijd weer appelcider gedronken. Voor deze gelegenheid werden de glazen uit de kast gepakt. Vader schonk voor opa en zichzelf wat eigengemaakte brandewijn in.
Toen de tafel was afgeruimd, zaten ze nog een poos gezellig bij elkaar. Mercy waste de vaat en Tim deed buiten nog wat klusjes. Het gesprek aan tafel ging bijna vanzelf weer over op de oorlog tussen Engelsen en Fransen en de rol die de Indianen hierbij speelden.
"Wij wonen nog meer dan jullie in het grensgebied," zei opa. "Een aantal jaren geleden hebben we honden ingezet om de grenzen beter te kunnen bewaken. Het lijkt misschien onmenselijk. Dat zou het ook zijn, als de Indianen vochten zoals andere volken. Maar de Indianen vechten als wolven, zij gedragen zich als dieven en moordenaars. Daarom zit er voor onze eigen veiligheid niets anders op dan hen op een manier te bestrijden die daarbij past...Als ik denk aan onze dochter Eunice, en hun twee lieve kleintjes... Lafhartig vermoord...!"

Allemaal dachten ze nu aan oom John en tante Eunice. De Indianen hadden bij die vreselijke aanval meteen al een neefje van zes jaar en een nichtje van nog maar zes weken gedood, terwijl oom en tante er machteloos bij stonden... Na de aanval waren oom John en tante Eunice met de andere kinderen en veel dorpsgenoten meegevoerd naar Canada. Het was een zware, afmattende tocht geweest door diepe sneeuw en snijdende kou. En onderweg was dat vreselijke gebeurd. Een Franse soldaat had tante Eunice doodgeslagen, omdat ze niet snel genoeg de rivier doorwaadde. Ze was nog zo zwak door de geboorte van haar meisje...
Oma Stoddard huiverde. "Ik zie het weer voor me! Hoevaak heb ik gebeden of ik als Job mocht zijn. Hij schreef God niets ongerijmds toe... Ja, Gods weg is in het heiligdom. Laten we toch altijd bereid zijn om te kunnen sterven! Onze tijd is zo kort! In één dag kan alles zo veranderen! En wat is er met onze kleindochter Eunice gebeurd...!"

Jonathan keek naar moeder. Hij zag dat in haar ogen tranen stonden. Was dat van verdriet? Of was ze bang dat vader eveneens gedood zou worden? Of... zou moeder bang zijn om te sterven? Moeder was nog nooit aan het Heilig Avondmaal geweest. En toch, als er iemand was die de Heere liefhad, was moeder het toch wel?
"Wat zou het groot zijn als deze vreselijke gebeurtenissen ons bij Christus zouden brengen," hoorde Jonathan zijn opa zeggen. Meteen was hij er met zijn gedachten weer bij. Zou opa nog meer vertellen over de Indianen?

"Laten we maar strijden tegen gevoelens van wraak," ging opa verder. "De Indianen hebben immers ook een ziel, die gered moet worden? Hoe weinigen van hen hebben ooit Gods Woord gehoord? Staan wij hier niet schuldig? Misschien zendt God ons deze oorlogen omdat wij Gods Woord voor ons zelf houden..." Dat is waar, dacht Jonathan. De Indianen hebben ook Gods Woord nodig. Misschien is het wel onze schuld dat ze zo wreed zijn. Wie denkt er ook aan om aan Indianen Gods Woord te verkondigen?
Het was stil toen opa dit gezegd had. Opa was iemand die sprak met gezag. Zelden durfde iemand tegen hem in te gaan. Hij was het ook die de gouverneur had voorgesteld honden in te zetten. Opa's hart was tegelijkertijd vol medelijden met de zielen van de Indianen. Niet alle mensen begrepen dat goed. Toch werden zijn woorden steeds als de waarheid gezien, of ze het nu begrepen of niet. Sommigen in de omgeving van Northampton, waar hij predikant was, noemden hem zelfs "de paus"...
Vader stemde met opa in:"Alle moeilijkheden die we in Nieuw Engeland hebben, komen door onze zonden."


  Ineens zei Eunice opgetogen:"Misschien ziet papa de grote Eunice wel in Canada!" Haar gezicht straalde. "En misschien gaat ze wel met papa mee terug!"
Moeder keek het kind vertederd aan, en zei zacht:"Canada is zo groot, en misschien is grote Eunice al gestorven."
Het gezicht van het meisje betrok weer. Toen zei ze met nieuwe hoop:"De Heere kan toch alles!"

"Ja kind, je mag er om vragen hoor! Wat een wonder zou het zijn, als ze nog zou leven en we mochten haar nog eens ontmoeten! Maar de Heere weet wel wat goed voor ons is."
"Ik vraag het!" zei Eunice vastbesloten.


  Opa en oma vertrokken al gauw, want het was nog enkele uren rijden naar Northampton. De familie wuifde hen na, tot het rijtuig in een bocht van de Main Street verdween.

(Wordt vervolgd)


Copyright: dpvandendool@hoofdkabel.com.
Overname en/of publicatie uitsluitend na toestemming van de auteur.

<>