Jonathan Edwards Pagina


Laatst bijgewerkt op
     9 juni 2007.  
     


         jonathan edwards
      
          Jonathan Edwards 


 
           Bureau Jonathan Edwards
Het bureau van Jonathan Edwards


     Hoofdingang Jonathan Edwards College te Yale
Hoofdingang van het Jonathan Edwards College te Yale


   Grafsteen Jonathan Edwards
    Grafsteen van Jonathan Edwards


     
           



                    
Kennis van ellende gaat
vóór verlossing

       



Ik zal henengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij zichzelf schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bang zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken.
Hosea 5:15

In het voorafgaande gedeelte van dit hoofdstuk wordt de verwoesting van Efraim bedreigd.
In het algemeen worden in de profeten met Efraim de tien stammen, of het koninkrijk van Israel bedoeld, dus de twaalf stammen. Zo lezen we in vers 12:"Daarom zal Ik Efraim zijn als een mot en den huize van Juda als een verrotting".
Met Juda worden de twee stammen van Juda en Benjamin bedoeld, die onder de koning van Juda staan en met Efraim worden de tien stammen onder de koning van Israel bedoeld. Efraim wordt voor het gehele koninkrijk van Israel gesteld, omdat Samaria, de koninklijke hoofdstad, in die stam gelegen was.
In het vers, dat onze tekst voorafgaat, wordt verklaard, op welk een vreselijke manier God met Efraim dreigt te handelen:"Want Ik zal Efraim zijn als een felle leeuw en den huize Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en henengaan; Ik zal wegvoeren en er zal geen redder zijn."
Dan spreekt God in onze tekst, hoe Hij daarna met hen zou handelen:
1. Hoe Hij Zich van hen zal terugtrekken:
"Ik zal henengaan en keren weder tot Mijn plaats." Nadat Ik als een leeuw verscheurd heb, zal Ik weggaan. Ik zal hen in die toestand achterlaten en zij zullen Mij niet meer zien.
2. Waarop God in hen wil wachten, voordat Hij wederkeert om hen genade te bewijzen.
Daarin liggen drie zaken opgesloten:
a. Zij behoren zich hun schuld bewust te worden:"Totdat zij zichzelven schuldig kennen." Dit betekent, totdat zij in eigen oog zich zo schuldig gevoelen, dat alle mond gestopt wordt en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Romeinen 3: 19.
b. Zij behoren zich hun ellende bewust te zijn:"Als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken".
Door hun trots en verdorvenheid merkten ze hun ellendige toestand niet; merkten zij niet, dat vreemden hun kracht verteerden en de grauwigheid op hen verspreid was, Hosea 7: 9.
c. Zij behoren zich bewust te worden, hoe zij Gods hulp nodig hebben:"Ze zullen Mij vroeg zoeken". "Vroeg`, dat wil zeggen: met grote ernst en zorg.
Tevoren wilden ze God niet zoeken, want ze gevoelden hun volkomen hulpeloosheid niet:"Als Efraim zijn krankheid zag en Juda zijn gezwel, zo toog Efraim tot Assur en hij zond tot de koning Jareb". We lezen echter, dat die hen niet kon genezen en hun gezwel niet kon helen, vers 13.
God dreigt hen te verscheuren en henen te gaan, opdat ze alleen bij Hem genezing zouden zoeken.

Uit dit alles kunnen wij leren:

Dat het Gods wijze van handelen is, de mensen zich van hun ellende en onwaardigheid bewust en gevoelig te maken, vóórdat Hij Zich aan hen in Zijn barmhartigheid en liefde openbaart.

Twee zaken komen hierin naar voren:

1. Aldus handelt Hij gewoonlijk ten opzichte van het verlenen van grote en voortreffelijke barmhartigheden.
2. Aldus handelt Hij in het bijzonder ten opzichte van de openbaring van Zijn liefde en barmhartigheid aan hun zielen.

1. Het is Gods gewone weg om aldus te doen, voordat er sprake is van grote en voortreffelijke uitlatingen van Zijn genade en gunst. Hij handelt gewoonlijk op deze wijze in Zijn Voorzienigheid en beïnvloedt de mensen zó door Zijn Geest, opdat zij er toe worden gebracht om hun ellendige staat, zoals zij in zichzelf zijn, mogen zien en aan hun eigen hulp leren wanhopen.
Voordat Hij genade schenkt, maakt Hij hun aldus gevoelig van hun zonde en onwaardigheid van Gods hulp. Dit blijkt uit de beschrijving, welke ons de Schrift geeft aangaande Gods handelingen met Zijn volk:
a. Jozef moet eerst in de kerker verkeren, voordat Hij in Egypte verhoogd wordt; hij moet eerst vernederd worden om hem tot zulk een eer en voorspoed voor te bereiden.
b. De kinderen van Jacob moeten een aaneenschakeling van moeilijkheden en angsten doorstaan, voordat Jozef zich aan hen openbaart, totdat zij tenslotte zo in nood geraken, dat ze aan hun misdaad gedenken en belijden, dat ze zeer schuldig zijn aan hun broeder. Zo vernedert God hen in Zijn Voorzienigheid en dan lossen zich de moeilijkheden op en verandert hun droefheid in vreugde, als Jozef zich aan hen bekendmaakt. Ook gaan zij dan delen in de eer en voorspoed van Jozef.
c. Jacob geraakt eerst in grote droefheid en nood, als Simeon in Egypte achterblijft en ook Benjamin mee moet naar Egypte. Hij roept uit:"Al deze dingen zijn tegen mij."
Maar spoedig daarop hoort hij de blijde tijding:"Jozef leeft nog; ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland!"
Als bewijs daarvan ziet hij de wagens en geschenken, die Jozef gezonden had.
Nu kan hij uitroepen:"Het is genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog! Ik zal gaan en hem zien, eer ik sterve!"
d. Zo was het met de kinderen Israels in Egypte. Hun harde dienst werd steeds zwaarder. Tenslotte moeten ze zelf stro zoeken en toch evenveel werk doen. Maar spoedig daarop volgt hun bevrijding.
Als ze daarna voor de Rode Zee staan, worden ze door de Egyptenaren achterhaald en zo ingesloten, dat er geen onkomen meer aan schijnt.
In die nood verschijnt God wonderlijk tot hun hulp; baant een weg door de zee en legt gezangen van bevrijding in hun mond. Eer zij in Kanaan gebracht worden, leidt God hen veertig jaar door een grote en vreselijke woestijn vol gevaren en verzoekingen. Zo leert Hij hen hun afhankelijkheid van Hem gevoelen en ontdekt de zondigheid van hun eigen hart, Deut. 32: 10:"Hij vond hen in een land der woestijn en in een woeste huilende wildernis. Hij voerde hen rondom, Hij onderwees hen, Hij bewaarde hen als Zijn oogappel."
Door die beproevingen werden ze vernederd, leerden ze de verdorvenheid van hun hart kennen, opdat ze overtuigd werden van hun dwarsheid en onhandelbaarheid en opdat ze zouden weten, dat God hen niet om hun gerechtigheid tot Zijn volk geëigend had en Kanaan aan hen zou geven:"En gij zulkt gedenken aan al de weg, die de HEERE uw God u deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft, opdat Hij u verootmoedigde om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of ge Zijn geboden zou houden of niet. En Hij verootmoedigde u en liet u hongeren en spijsde u met Man, dat gij niet kende, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft; maar dat de mens leeft van alles, dat uit des HEEREN mond uitgaat", Deut. 8: 2-3.
Zo ook vers 15-17:"Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen en schorpioenen en dorheid waren en geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht; Die u in de woestijn spijsde met Man... om u te verootmoedigen en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldeed en gij in uw hart niet zegt: Mijn kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen."
We vinden er ook voorbeelden van in de tijd van de Richteren. Als ze deden, wat kwaad was in Gods ogen, gaf Hij ze zo lang over in de handen hunner vijanden, dat ze in grote benauwdheid en in een hopeloze toestand geraakten; weer tot zichzelf kwamen en tot God gingen roepen. God wilde hen dan niet eerder verlossen dan totdat Hij hen vernederd had en zij hun onwaardigheid erkenden en zich in Gods handen overgaven:"Toen riepen de kinderen Israels tot de HEERE, zeggende: Wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onze God hebben verlaten, als dat wij de Baäls gediend hebben.
Maar de HEERE zeide tot de kinderen Israels: Heb Ik u niet van de Egyptenaren en van de Amorieten en van de kinderen Ammons en van de Filistijnen en de Sidoniers en Amalekieten en Maonieten, die u onderdrukten, toen gij tot Mij riep, alsdan uit hun hand verlost? Nochtans hebt gij Mij verlaten en andere goden gediend, daarom zal Ik u niet meer verlossen ten tijde uwer benauwdheid. Gaat henen en roept tot de goden, die gij verkoren hebt; laat u die verlossen ten tijde uwer benauwdheid.
Maar de kinderen Israels zeiden tot de HEERE: Wij hebben gezondigd, doe Gij ons naar alles, wat goed is in Uw ogen; alleen verlos ons toch te dezen dage. En zij deden de goden uit hun midden weg en dienden de HEERE. Toen werd Zijn ziel verdrietig over de arbeid (Eng. vert.: de ellende) van Israel", Richteren 10: 10-16.
Dit nu is de weg, waarin God met Zijn volk handelt, zoals Hij reeds van het begin verklaard heeft:"Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden en de ongerechtigheid hunner vaderen met hun overtredingen, waarmee zij tegen Mij overtreden hebben en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben, dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben, dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob en ook aan Mijn verbond met Izaak en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken; als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest en aan zijn sabatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had. En hierenboven is dit ook: als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen, want Ik ben de HEERE hun God. Maar Ik zal hun ten beste gedenken des verbonds der voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen der heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God ware."  Lev. 26: 40-46.
Het is Gods wijze van handelen, als Hij, in antwoord op het gebed, opmerkelijke weldaden wil schenken, dat Hij de mens die doet zoeken en daarom doet bidden met een gevoel van zonde en ellende:"Alle gebed, alle smeking, die van enig mens van al uw volk Israel geschieden zal, als zij erkennen een ieder de plaag zijns harten en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal - hoor Gij dan in de hemel, de vaste plaats Uwer woning en vergeef en doe en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent, want Gij alleen kent het hart van alle kinderen der mensen, opdat zij U vrezen al de dagen...", 1 Kon. 8: 38 en 39.
Onder het erkennen van de plaag zijns harten worden zowel hun zonde als hun ellende verstaan. In 2 Kron. 6: 29 staat dan ook:"Als zij erkennen een ieder zijn plaag en zijn smart." Deze komen voort uit de zonde.
Paulus verhaalt ons, hoe God hem vóór een grote verlossing aan zichzelf deed wanhopen:"Ja, wij hadden als zelf in onszelf het vonnis des doods, opdat we niet op onszelf vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt; Die ons uit zo grote dood verlost heeft...", 2 Kor. 1: 9-10.

(wordt vervolgd)