Jonathan Edwards Pagina |
|
Laatst bijgewerkt op
10 maart 2007. ![]() Jonathan Edwards Onderstaande links verwijzen naar recensies, artikelen e.d. van de hand van ds. W. van Vlastuin Het leven van Edwards Uit: J. Ridderbos, De theologie van Jonathan Edwards. Overige nuttige links: Het bureau van Jonathan Edwards
Hoofdingang van het Jonathan Edwards
College te Yale
Grafsteen van Jonathan Edwards |
De christen-pelgrim
"...en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken." Hebr. 11: 13b, 14 Inleiding De apostel Paulus laat hier zien hoe heerlijk de genade van het geloof is. Hij laat zien wat de uitwerking van het geloof was bij de heiligen van het Oude Testament. In het voorgaande deel van dit hoofdstuk heeft hij gesproken over Abel, Henoch, Noach, Abraham en Sara, Izaak en Jakob. Na het noemen van deze voorbeelden, merkt hij op dat "deze allen in het geloof zijn gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren." Enz. In deze woorden schijnt de apostel in het bijzonder de aandacht te vestigen op Abraham en Sara en hun verwanten die met hen meekwamen uit Haran, en uit Ur der Chaldeeen, zoals blijkt uit vers 15, waar de apostel zegt:"En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weder te keren." Twee dingen willen we hier opmerken: 1. Wat deze heiligen van zichzelf beleden, namelijk "dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren". Zo hebben we een bijzonder verslag van Abraham:"Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u". En zo schijnt het algemene gevoelen van de patriarchen te zijn geweest. Dit kunnen we opmaken uit hetgeen Jakob tegen Farao zegt. "En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen" (Gen. 47:9). "Want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders" (Ps. 39:13). 2. De conclusie die de apostel hieruit trekt, namelijk dat ze een ander land zochten als hun vaderland. "Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken." Door te belijden dat ze vreemdelingen zijn, laten ze duidelijk weten dat hier hun vaderland niet is. Hier is niet hun thuis. En door te belijden dat zij pelgrims zijn, laten ze duidelijk weten dat zij hier geen vast verblijf hebben. Zij hebben hun oog op een ander vaderland gevestigd. Dat zoeken zij, daar gaat hun reis naar toe. 1. Ons leven moet een pelgrimsreis zijn Enkele dingen wil ik hier opmerken. 1. We moeten niet onze rust vinden in de wereld en haar vreugde, maar we moeten verlangen naar de hemel. We moeten "eerst het Koninkrijk van God zoeken". Boven alle dingen moet er een verlangen zijn naar de hemelse blijdschap. Dat is een verlangen om met God te zijn en om bij Jezus Christus te wonen. Wellicht zijn we omringd met uitwendige vreugde. We hebben onze familie en goede vrienden en kennissen. We beleven groot genoegen in het gezelschap van onze vrienden. We hebben kinderen met veelbelovende kwaliteiten. We hebben goede buren en we zijn algemeen geliefd. Toch moeten we niet onze rust vinden in zulke dingen. Sterker nog: we moeten ernaar verlangen om op Gods tijd dit alles te verlaten. We mogen deze dingen bezitten, ons erin verheugen en ze gebruiken. Maar we moeten er geen andere bedoeling mee hebben dan ze meteen achter te laten, wanneer we daartoe geroepen worden. En dan moeten we ze gewillig en met vreugde inruilen voor de hemel. Wie op reis is, kan onderweg aangename dingen tegenkomen. Maar dat betekent niet dat hij daar maar blijft. Hij trekt langs mooie plaatsen, hij komt langs weiden vol bloemen, hij gaat langs een lommerrijk bos. Toch stelt hij zich hiermee niet tevreden. Hij kijkt ernaar als iemand die op doorreis is en trekt verder. Als hij op een schitterende plaats komt, laat hij zich niet verleiden om er te blijven. Nee, hij heeft steeds het doel van zijn reis in gedachten. Hij komt in een herberg, waar het aangenaam toeven is. Maar hij denkt er niet over hier te blijven. Hier is immers niet zijn thuis. Hij is hier slechts een vreemdeling. Hij verfrist zich of blijft er die nacht slapen. Dan trekt hij verder. En hij vindt het een fijne gedachte dat hij al zo'n groot deel van de reis heeft afgelegd. Zo moeten wij meer verlangen naar de hemel dan naar de aangename dingen van dit leven. De apostel noemt het als een bemoedigende, vertroostende overweging voor christenen, dat zij hun blijdschap tegemoet gaan. "Nu is onze blijdschap dichterbij dan toen we geloofden." Onze harten moeten los zijn van deze dingen, zoals dat van een man op een reis. Wanneer God ons roept, kunnen we er dan met vreugde afscheid van nemen. "Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; en die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende; en die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij." (1 Cor. 7:29-31). Deze dingen zijn ons slechts voor een poosje geleend, om ons te dienen, maar we moeten onze harten op de hemel richten, als onze erfenis voor altijd. 2. We moeten de hemel zoeken door de weg te gaan die daarheen leidt. Dit is een weg van heiligheid. We moeten besluiten en ernaar verlangen om op deze manier daarheen te reizen en niet op een andere wijze. We moeten scheiden van al die vleselijke begeerten die als een last de neiging hebben ons te hinderen. "Laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is" (Heb. 12:1). Hoe prettig het ook kan zijn om je begeerte te vervullen, je moet deze naast je neer leggen, als ze een hindernis of struikelblok vormt op weg naar de hemel. We moeten reizen in een weg van gehoorzaamheid aan al Gods geboden, de moeilijke geboden evengoed als de gemakkelijke. We moeten al onze zondige neigingen en begeerten verloochenen. De weg naar de hemel is een stijgende weg. We moeten er genoegen mee nemen dat de reis heuvelop gaat, ook al is dat zwaar en vermoeiend en gaat het tegen de natuurlijke neiging van het vlees in. We moeten Christus volgen. De weg die Hij bewandelde, was de juiste weg naar de hemel. We moeten het kruis op ons nemen en Hem volgen. We moeten de weg gaan in zachtmoedigheid en nederigheid van hart, en in gehoorzaamheid en liefde. We moeten ijverig zijn om goed te doen, en in tegenspoed moeten we geduldig zijn. De weg naar de hemel is een hemels leven. Het is een navolging van hen die in de hemel zijn. In de hemel is een heilige vreugde in het liefhebben van God en het Lam. Daar worden God en het Lam aanbeden en gediend en geloofd. Stel dat het mogelijk was naar de hemel te gaan, terwijl we onze begeerten botvieren. Dan moeten we toch liever een weg bewandelen van heiligheid en gehoorzaamheid aan de geestelijke regels van het evangelie. Dat zijn de regels van zelfverloochening. 3. We moeten voortreizen op deze weg op een manier die afmattend is. Lange reizen gaan gepaard met gezwoeg en vermoeidheid, vooral als ze door een wildernis gaan. In zo'n geval verwachten de mensen niet anders dan dat ze met ontberingen en vermoeidheid te maken zullen krijgen. Zo moeten we reizen op deze weg van heiligheid. We moeten onze tijd en kracht besteden om de moeilijkheden en de hindernissen op onze weg te overwinnen. Het land, waar we doorheen trekken, is een wildernis. Er zijn vele bergen, rotsen en woeste plaatsen waar we langs moeten gaan. Daarom is het nodig dat we ons inspannen. 4. Ons hele leven moeten we doorbrengen in het bewandelen van deze weg. We moeten hiermee vroeg beginnen. Zodra een mens hiertoe in staat is, is dit van het eerste belang. Wanneer een mens voor het eerst op weg gaat in de wereld, moet het deze reis zijn die hij maakt. En we moeten voortreizen met volharding. Het moet het werk zijn van iedere dag. We moeten vaak denken aan het einde van onze reis. We moeten er ons dagelijks werk van maken om te reizen op de weg die daarheen leidt. Iemand die op reis is, denkt vaak aan de plaats van bestemming. Het is zijn dagelijkse zorg en bezigheid om verder te kunnen. Hij gebruikt zijn tijd om het doel van zijn reis te bereiken. Zo moet ook de hemel voortdurend in onze gedachten zijn. En we moeten ook steeds denken aan de in- of doorgang die daarheen leidt: de dood. We moeten volharden in deze weg, zolang als wij leven. "Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is." Ook al is de weg moeilijk en vermoeiend, we moeten geduldig volhouden en aanvaarden dat we met tegenspoed hebben te maken. Ook al is de weg lang, toch moeten we niet plotseling halt houden. We moeten volhouden tot we op de plaats aankomen die we zochten. We moeten ons ook niet laten ontmoedigen door de lange duur van de reis en de moeilijkheden onderweg. Zo verging het de kinderen Israels; zij wilden terugkeren. We moeten er ons helemaal op richten om te volharden tot we onze bestemming bereiken. 5. We
moeten voortdurend toenemen in heiligheid, waardoor we dichter bij de
hemel komen. En zo komen we al dichter bij de zalige aanschouwing. We moeten
werkzaam zijn om voortdurend te groeien in goddelijke liefde. Laat dit
een aanwakkerend vuur mogen zijn in ons hart, totdat ons hart geheel in
dit vuur opgaat. Dan zullen we leven in gehoorzaamheid aan God.We
zullen hemelse gesprekken voeren. We zullen de wil van God doen op
aarde gelijk de engelen in de hemel. We zullen troost ontvangen en
geestelijke blijdschap.
1. Deze
wereld is niet onze blijvende plaats. Ons verblijf hier is maar heel
kort. De dagen van een mens zijn als een schaduw. God heeft deze wereld
nooit bedoeld als ons thuis. Evenmin gáf God ons deze tijdelijke
woonplaats met dat doel. Maar al
deze dingen moeten van geringe betekenis voor ons zijn. De dood zal al
onze hoop opblazen en een eind maken aan deze genietingen. “De plaatsen
die ons hebben gekend, zullen ons niet meer kennen,” en “het oog dat
ons heeft gezien, zal ons niet meer zien.” Eens zullen we van al deze
dingen afscheid moeten nemen. Wanneer dat zal zijn, is onzeker. Het kan
al spoedig zijn, nadat we ze ontvangen hebben. 2. De toekomstige wereld werd bedoeld als onze vaste en altijd blijvende woonplaats. God bestemde voor dat we dáár onze vaste plaats zouden hebben. Daar alleen is een blijvende woning en een blijvende erfenis. Onze huidige toestand is kort en vergankelijk, maar onze toestand in de andere wereld zal altijd blijven. En zoals wij daar zijn bij het begin, zo moeten we zonder verandering blijven. Onze toestand in de toekomstige wereld is eeuwig. En daarom is van zóveel groter belang hoe onze toestand dáár is dan hoe ze hier is. En daarom dienen al onze belangen in deze wereld daaraan geheel ondergeschikt te zijn.
Hoofdstuk 3 – Het leven een pelgrimstocht1. Het
leven is een pelgrimstocht naar de hemel. Daarom moeten we niet al te
zeer bedroefd zijn bij het verlies van een geliefde, als hij in zijn
leven het juiste doel voor ogen heeft gehad. Als hij een heilig leven
heeft geleid, was zijn leven een reis naar de hemel. En waarom zouden
we zozeer bedroefd zijn, als hij het doel van zijn reis heeft bereikt? Wij zijn
geneigd de dood als een onheil te zien. Wij zijn geneigd bedroefd te
zijn omdat onze geliefden in het donkere graf moeten verblijven. Wij
treuren, omdat ze daar overgaan tot ontbinding en de wormen daar hun
vlees doorknagen. Wij zijn bedroefd omdat ze zijn weggenomen van hun
geliefde kinderen en van hun vreugde. We doen alsof ze nu in een
verschrikkelijke toestand zijn. Dat komt door onze zwakheid. Zij zijn
juist in een heel gelukkige toestand, ja, onvoorstelbaar gelukkig. Het is
waar, in deze wereld zullen we hen niet meer zien. Toch moeten we
bedenken dat we op reis zijn naar dezelfde plaats. Waarom zouden we
zozeer bedroefd zijn omdat zij vóór ons de hemel zijn
ingegaan! Wij volgen hen na en wij hopen eens bij hen te zijn. Dat is,
wanneer ook wij aan het einde van onze reis zijn gekomen. Dan zullen we
weer bij hen zijn, maar dan in een veel betere toestand. Toch mag
er wel een zekere mate van droefheid zijn, wanneer een naaste verwante
heengaat. Zolang we immers vlees en bloed zijn, hebben we ook
vleselijke gevoelens. Maar er is wel reden om deze droefheid te
vermengen met blijdschap. “Doch, broeders, ik wil niet, dat gij
onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd
zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.” D.w.z. dat ze niet
bedroefd moeten zijn als de heidenen. Die weten immers niet van een
toekomstige heerlijkheid. Dit blijkt uit het volgende vers:”Want indien
wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God
degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem.” 2. We
zagen dat ons leven slechts een reis dient te zijn naar de hemel. Maar
wat besteden zij hun leven dan slecht, voor het wie het een reis is
naar de hel!
(Wordt vervolgd) |